Gods woord voor een sigaar

De gereformeerde voorman Abraham Kuyper introduceerde iets nieuws in Nederland: politiek op basis van charisma en emotie. Dat blijkt uit een nuchtere biografie.

Abraham Kuyper, geschilderd door H.J. Haveman, hangt in senaatszaal van de Vrije Universiteit Foto Jørgen Krielen © Jorgen Krielen/Amsterdam 18-05-2006/ Vrije Universiteit-Schilderijen van VU-bestuurders en oprichters. o.a Abraham Kuyper Krielen, Jørgen

Jeroen Koch: Abraham Kuyper, een biografie. Boom, 672 blz. plus 24 blz. foto’s. € 39,95

Aan superlatieven ontbreekt het nooit als het over de gereformeerde voorman Abraham Kuyper gaat. Negatieve superlatieven. In de liberale pers van zijn dagen wordt hij aangeduid als grootinquisiteur en vertegenwoordiger van het separatistisch-radicalisme onder de vlag van het calvinisme. Het Algemeen Handelsblad noemt hem op 8 januari 1886 een groter gevaar voor de samenleving dan de anarchist Domela Nieuwenhuis. Maar ook positieve superlatieven. ‘Na Multatuli is er zeker geen publicist geweest, die, het woord bezigend tot dagelijksch gebruik, er zooveel mee heeft kunnen doen’, schrijft de NRC op 31 maart 1897. ‘Hij heeft ingezien dat een journalist het recht mist om vervelend te zijn’ , aldus het Algemeen Handelsblad drie dagen later. De krant omschrijft hem als ‘een onzer merkwaardigste, ja grootste Nederlanders’. Het artikel besluit met een eresaluut ‘dat een strijder met de pen als hij is toekomt, een dagbladschrijver in wien wij huldigen een weergalooze werkkracht, een luciditeit als van een daglicht, een talent en veelzijdigheid van kennis, schitterend en treffend tevens’.

Aanleiding voor deze loftuitingen – van twee kranten die niets van zijn gedachtegoed moesten hebben – is het 25-jarig ambtsjubileum van Abraham Kuyper als hoofdredacteur van het door hem opgerichte dagblad De Standaard. Als onbetwist leider van de Antirevolutionaire Partij beheerst hij aan het eind van de 19de en het begin van de 20ste eeuw het politieke toneel, hij maakt de dienst uit op de door hem opgerichte Vrije Universiteit en hij is de ongekroonde leidsman van de Gereformeerde Kerken in Nederland, die zich in 1886 uit de Nederlandse Hervormde kerk hebben losgemaakt. En nog heeft Abraham de Geweldige dan het zenit van zijn loopbaan niet bereikt: in 1901 zal hij premier worden.

Een biografie schrijven over zo’n theoloog, kerkvorst, politiek leider, redenaar, journalist, universiteitsstichter, kortom zo’n gigant, is geen sinecure. De eerste die zich eraan waagde, was Piet Kasteel, parlementair redacteur van het katholieke dagblad De Maasbode. Aan de Universiteit van Leuven promoveerde hij in 1938 op Abraham Kuyper, achttien jaar na diens dood.

Het heeft maar liefst 68 jaar geduurd voor er een nieuwe biografie van Kuyper verschijnt. Opmerkelijk is dat ook deze is geschreven door iemand van katholieken huize. De Utrechtse historicus Jeroen Koch schrijft in zijn inleiding dat zijn vader, ‘wiens werkzame leven zich grotendeels afspeelde binnen de katholieke poot van het verzuilde maatschappelijke middenveld, zich flink kon opwinden over wat hij noemde ‘‘kuyperiaans gedoe”.’ Misschien voelen katholieken minder remmingen bij ‘de grote greep’ die voor een biografie als deze nodig is. Ze kijken van enige afstand, maar staan in de antithese tussen geloof en ongeloof toch aan dezelfde kant, in de traditie van Kuyper en diens compaan Herman Schaepman, vader van de katholieke emancipatie.

Kasteels bedoeling was ‘een begin te maken met nadere bestudering van Kuyper, vooral als kerkelijke en staatkundige figuur’. Koch heeft een ‘intellectueel-politieke biografie’ geschreven, goeddeels gebaseerd op eerder verschenen deelstudies en aangevuld met een analyse van Kuypers omvangrijke briefwisselingen met geestverwanten als Groen van Prinsterer, De Savornin Lohman en Idenburg. Koch kon daarbij onder meer gebruikmaken van een stroom van geschriften die de afgelopen jaren aan de Vrije Universiteit zijn verschenen over aspecten en onderdelen van Kuypers omvangrijke werk. Aan het organisatorische werk voor ARP, VU en Gereformeerde Kerken besteedt hij beperkt aandacht. Nieuw in dit boek is de uitgebreide bespreking van Kuypers boek Om de oude wereldzee, dat hij schreef na de rondreis die hij na zijn premierschap maakte door het Midden-Oosten en de Maghreb. Kon Kasteel zijn werk nog binnen de 350 pagina’s houden, Koch heeft het dubbele aantal bladzijden nodig.

Zoals vele groten, is Abraham Kuyper als kind al ‘een bijzonder ventje’, zoals Jan en Annie Romein schrijven. Hij wordt op 29 oktober 1837 in Maassluis geboren, waar zijn vader hervormd predikant is. Hij heeft zo’n grote schedel dat zijn ouders vrezen dat hij een waterhoofd ontwikkelt. ‘Zijn vader had de grootste moeite om den jongen te leeren lezen’, schrijft Kasteel. Een geraadpleegde Duitse professor kan de ouders geruststellen: het zijn allemaal hersens. Later verhuist de familie naar Middelburg. In Erflaters van onze beschaving schrijven de Romeins over de Zeeuwse periode: ‘Zijn prille bekeringsijver te Middelburg, waarheen het gezin in ’41 verhuisde, is typerend, niet alleen voor het negenjarig kind, maar ook voor den lateren man. Hij zou destijds n.l. een poging hebben gedaan om de matrozen van een daar gemeerd schip het vloeken af te leren. Hij nam daartoe uit zijn vaders kamer een traktaatje, dat hij hun voorlas – maar tegelijk een kist sigaren, die hij onder zijn aandachtig gehoor verdeelde.’ Koch lijkt zijn twijfels te hebben over deze en dergelijke verhalen, die de mythevorming moesten bevorderen, en volstaat met de zin: ‘In ruil voor de sigaren van zijn vader zou Kuyper een stel matrozen om aandacht gevraagd hebben voor een zelfgemaakte preek.’

In 1849 verkast de familie naar Leiden, waar Abraham theologie gaat studeren. Hij ontpopt zich als een briljant student, die een maniakaal aandoende werkdrift aan de dag legt, die – ook later in zijn leven – regelmatig wordt onderbroken door langere perioden van ‘zenuwziekte’. In moderne termen was hij hyperactief en manisch-depressief, aldus Koch. Na zijn studie wordt hij beroepen als predikant in Beesd, in de Betuwe. Na vier jaar aanvaardt hij een beroep naar Utrecht. In 1870 verhuist hij naar Amsterdam, waar zijn grote missie – reformatie van kerk en maatschappij – pas goed van de grond komt.

Bepaalt bij Kasteel, bij alle fouten die hij zag, bewondering de toon van de biografie, bij Koch staat, bij volledige erkenning van zijn betekenis, de ontmythologisering van Kuyper voorop. Zo signaleert hij bijvoorbeeld dat Kuyper diverse malen autobiografische schetsen heeft geschreven die van elkaar verschillen. Door zijn studie theologie aan de universiteit van Leiden komt Kuyper, naar de theologische mode van die dagen, aanvankelijk in modernistisch vaarwater terecht. Zijn bekering tot de gereformeerde orthodoxie is, aldus Kuyper zelf in 1867, het gevolg van een vergelijkend onderzoek naar de opvattingen van Calvijn en de Poolse hervormer Johannes à Lasco, alsmede van een periode van overspannenheid. In 1873 schrijft hij dat zijn bekering het gevolg is van de invloed van ‘eenvoudige landlieden’ in zijn eerste gemeente, Beesd in de Betuwe. In een derde versie uit 1914 wordt het bekeringsverhaal teruggebracht tot de houding van één persoon, Pietje Baltus, een dertigjarige vrouw die hem wegens zijn vrijzinnige opvattingen wel als mens, maar niet als predikant wenste te accepteren. 'Kuypers bekeringsmythe was compleet,’ concludeert Koch.

De verhalen verschaffen inzicht in het type leider dat hij zou worden: ‘een representant van het soort 19de-eeuwse volkstribunen dat zich als verlosser van natie, arbeidsklasse of geloofsgroep opwierp, en dat ter stilering en versterking van dat leiderschap onafgebroken aan de eigen legende sleutelde’. Door een echt bekeringsverhaal te hebben kan Kuyper zijn volgelingen laten geloven dat hij een door God gezondene is, iemand met een roeping. Gelovigen struikelen niet over detailverschillen tussen verhalen. Zijn tegenstanders spreken van ‘met rituele ootmoed omzwachtelde arrogantie’.

Tegen de achtergrond van het elitaire, rationele liberalisme van zijn dagen, introduceert Kuyper iets nieuws, een nieuwe religieus-politieke cultuur op basis van door charisma gestuurde emotie, zoals ook Domela Nieuwenhuis en Troelstra deden. Bovendien bouwt hij een hechte organisatie op om zijn ideeen te realiseren, met een eigen krant, een eigen partij, een eigen universiteit en een eigen kerk, die uiteindelijk de basis zouden blijken van een protestantse zuil. Niet dat hij die zuil beoogt, Kuypers ideaal was kerstening van de hele Nederlandse samenleving, maar verzuiling is het uiteindelijke resultaat.

Tekenend voor de persoon van Kuyper is dat hij door zijn optreden niet alleen zijn liberale tegenstanders tegen zich in het harnas jaagt, maar dat hij zich ook verwijdert van potentiële en halve medestanders binnen het protestantisme. Een deel van de orthodoxe gelovigen blijft liever binnen de Nederlands Hervormde kerk – in Kuypers terminologie de ‘halven’. Ze zijn het wel eens met zijn verzet tegen het theologisch modernisme, maar werken liever van binnenuit om de volkskerk te veranderen, dan dat zij ermee breken. Door zich van hen af te scheiden vervreemdt Kuyper dat deel van zijn achterban, onder wie de theoloog Hoedemaker, van zich. Als Hoedemaker in 1886 weigert samen met Kuyper te vertrekken uit de hervormde kerk, voegt Kuyper hem toe: ‘Gij kunt dan in de Hervormde kerk blijven, maar weet wel: al Gods volk gaat met mij, en gij zult achterblijven met niets dan enkel Jan Rap en zijn maat.’ Hoedemaker ziet zich genoodzaakt zijn ontslag aan te vragen als hoogleraar aan de Vrije Universiteit.

Ook in de eigen antirevolutionaire gelederen weet Kuyper de eenheid niet te bewaren. Kuypers medestander De Savornin Lohman splitst zich met zijn aanhang af van de Antirevolutionaire Partij en wordt leider van de Christelijke Historische Unie, waarbij veel gematigd-orthodoxe hervormden zich beter thuisvoelen. Een groot deel van Kochs proefschrift is gewijd aan de haat-liefdeverhouding tussen Kuyper en De Savornin Lohman. Hun uitgebreide briefwisseling, die tot het einde van hun leven voortduurt, tekent de ambivalente relatie tussen de burgerlijke, democratische Kuyper en de aristocratische, elitaire De Savornin Lohman. Op het moment dat Kuyper de afstand met zijn strijdmakker van het eerste uur te groot begint te vinden, vervalt hij regelmatig in klachten over zijn gezondheid. Dat leidt dan weer tot vriendelijke briefjes van De Savornin Lohman, waarna Kuyper hem dankt voor diens medeleven om vervolgens weer des harder op hem in te hakken.

Treffend is de tekening die Koch geeft van Kuypers karakter. Hij noemt hem ijdel, strijdlustig en overtuigd van zijn missie, met een bijna ‘rooms’ gevoel voor theater. ‘Naar vorm en inhoud waren kerk, theater en politiek in de antirevolutionaire leider samengesmolten.’ Een fraai voorbeeld daarvan is het feit dat hij zich had aangewend om bij het begin van de kerkdienst niet onder aan de preekstoel te bidden, zoals gebruikelijk was, maar halverwege de trap, ‘in een voor de gehele verzamelde gemeente zichtbaar entr’acte’. [...] Kuypers taal stond bol van grote woorden, heilige idealen en weidse visioenen, alles gedrenkt in een pathos van strijd.’

Als een moderne profeet gaat Kuyper zijn volk voor in de geestelijke strijd. Hij vereenzelvigt de gereformeerden met het oudtestamentische Israël en gedraagt zich als een Mozes die het volk uit Egypte voert. Bijbelse geschiedenis, de Tachtigjarige Oorlog en zijn eigen activiteiten worden in één grote beweging in elkaar geschoven. En zo groeit de mythe. Zijn volgelingen genieten met volle teugen, zijn tegenstanders walgen. Alles aan zijn persoon was politiek, al het politieke was persoonlijk. In dat opzicht was Kuyper een uiterst modern politicus en veel van zijn tijdgenoten ver vooruit.

Hoogtepunt voor Kuyper is ongetwijfeld dat hij op 1 augustus 1901 eerste minister wordt. Maar dan volgt de harde werkelijkheid van het regeren, waarop zoveel idealisten stranden. Hij wordt geconfronteerd met een grote staking bij de spoorwegen, die leidt tot de zogeheten worgwetten die arbeiders in strategische diensten verbiedt het werk neer te leggen. Groot is zijn teleurstelling als hem in de jaren daarna duidelijk wordt dat het bij één kabinet-Kuyper zal blijven.

Na zijn reis rond de Middellandse Zee eindigt Kuyper als een Jeremia die zich beklaagt dat zijn volk niet meer naar hem luistert. Het gereformeerde volk blijft hem op handen dragen, maar de top van de ARP heeft het helemaal met hem gehad. De antirevolutionaire leiding vindt dat zijn tijd definitief voorbij is. Hij is te oud en wekt te veel weerstanden op. Kuyper blijft er tot zijn dood in 1920 over mokken en geeft daar ook in talloze publicaties blijk van.

Koch haalt ook minder bekende delen uit Kuypers leven naar boven, zoals de invloed die hij enige tijd ondergaat van een Amerikaanse religieuze opwekkingsbeweging. In de zomer van 1875 woont hij een congres bij in Brighton van de Amerikaanse evangelist Robert Pearsell Smith, waar hij euforisch van terugkomt. Later excuseert hij zich dat hij zich zo heeft laten meeslepen door de gedachte dat de mens op deze aarde een hoge mate van heiligheid zou kunnen bereiken. De buitenechtelijke escapades van Pearsell Smith doen de rest. Kuyper krijgt er opnieuw een langdurige zenuwinzinking van.

Koch heeft een samenhangende, lezenswaardige biografie geschreven, waarin hij een scherp omlijnd portret van Abraham Kuyper tekent. Toch blijft het de vraag of dit de ‘vertelbiografie’ naar Brits voorbeeld is die de overleden VU-historicus George Puchinger voor ogen stond. Op sommige punten is ze net iets te wijdlopig of te gedetailleerd, zoals in in de weergave van het debat met De Savornin Lohman. Een paar citaten minder en wat meer samenvatting hadden de toegankelijkheid vergroot. Voor een vertelbiografie hadden er ook wel meer anekdotische details in het boek verwerkt mogen worden – zelfs al zouden het de verdichtsels van Kuyper zelf geweest zijn. Een hoofdpersoon met zoveel journalistiek talent had dat wel verdiend.

    • Herman Amelink