Een natuurpark in tijden van oorlog

Het grootse natuurpark van West-Afrika, Comoë in Ivoorkust, is al ruim drie jaar grotendeels in handen van rebellen. Niemand bekommert zich nog om natuurbeheer.

Dorp in bedreigd nationaal park Comoë in het noorden van Ivoorkust. Foto Yann Arthus-Bertrand/Corbis ca. 1997-1998, Bouna, Ivory Coast --- Aerial View of Village in Comoe National Park --- Image by © Yann Arthus-Bertrand/CORBIS Arthus-Bertrand, Yann

Haar eerste nacht in het park was een onbeschrijflijke ervaring. Annick Coulibaly, botanisch onderzoekster, krijgt een gelukzalige blik in haar ogen als ze erover vertelt. Daar zat ze dan, bij het krieken van de dag, in haar tentje naar het gekrijs van apen en de lokroep van vogels te luisteren. „Het was alsof ik terugging naar de bron.” Het onderzoeksstation, opgezet door een Duitse universiteit, was bijna af. Er was stromend water, zonnepanelen zorgden voor elektriciteit, jongens uit de omgeving zouden ingezet worden als manusjes-van-alles.

Nog geen jaar later zakte het project als een pudding in elkaar. Oorlog bracht het station de doodklap toe. Opstandelingen bezetten het noorden van het land, zodat 65 procent van het grootste natuurpark van West-Afrika in handen van de rebellen kwam. De meeste boswachters vluchtten naar het zuiden, de zonnepanelen werden geroofd, en Annick moest terug naar de stad.

Nu vervolgt ze haar studie, zo goed en zo kwaad als het kan, in Duitsland. De regering is alleen nog maar bezig met machtspolitiek. Voor natuurbeheer is in Ivoorkust geen belangstelling meer, geen geestdrift, en al helemaal geen geld.

Het nationale park Comoë, dat doorsneden wordt door een rivier met dezelfde naam, staat sinds 1983 op de UNESCO-lijst van Werelderfgoed. Drie jaar geleden kwam daar met rode letters „in gevaar” bij te staan.

Niet dat de lokale bevolking daar iets van heeft gemerkt. Comoë ligt zo afgelegen dat de plaatselijke plattelandsbevolking het zonder moderne communicatiemiddelen moet stellen. Dat Comoë beschermd is, weten ze wel, en ze weten ook dat je er eigenlijk niet op wild mag jagen. Maar hun cashew-bomen brengen te weinig op om van te leven.

Volgens de laatste telling, die ruim voor het begin van de oorlog in 2002 werd uitgevoerd, leven in Comoë honderden nijlpaarden, zesduizend buffels, elf verschillende soorten apen, meer dan duizend olifanten, tienduizenden antilopen. De jager die op zijn fietsje het park intrekt om een goudhaas te schieten, is zich van geen kwaad bewust. Vlees is een luxe die het barre platteland hem ontzegt.

Ergens in de savanne ligt het graf van een Franse natuurliefhebber die de olifantenpopulatie tegen stropers probeerde te beschermen. Hij kreeg voor elkaar dat het gebied in 1953 door de Franse koloniale heersers aangemerkt werd als reservaat. Traditionele jagers namen wraak: ze doorboorden de bemoeizuchtige blanke met pijlen.

Maar de tijden zijn veranderd. In Fakolo, aan de uiterste noordwestgrens van het park, wacht de bevolking met smart tot de toeristen terugkeren. Jean Soro werpt zich van vreugde bijna voor de wielen van onze besmeurde terreinwagen. Soro was vroeger parkwachter en gids.

Drieëneenhalf jaar na de opstand slijt Soro zijn dagen werkloos onder een wankele commandopost aan de ingang van Comoë. Geen buitenlander haalt het nog in zijn hoofd om de tocht te ondernemen, dwars door rebellenland, over een haast onbegaanbare weg, naar een gehucht zonder mobiel netwerk of comfortabel restaurant.

Comoë beslaat ongeveer een derde van de oppervlakte van Nederland. De rebellen in Fakolo hebben één auto om te patrouilleren. „Als we benzine hebben, gaan we het park in”, zegt Soro. „Als we geen benzine hebben, gaan we niet.” Onlangs hield hij drie stropers aan die een stuk of vijf in mootjes gehakte antilopen het park uit probeerden te smokkelen. „We hebben het vlees afgepakt, maar hun geweren mochten ze houden”, vertelt Soro terwijl hij zich met een jachtgeweer op de passagiersstoel nestelt.

Hij gidst de auto feilloos over een met stug gras overwoekerd pad dat naar een uitkijkpost over de rivier leidt. Hij herkent de ingewanden van een aap die stropers hebben achtergelaten. Hij toont sporen van een nijlpaard in de modder naast een rots. Over de rode hulzen die her en der in het struikgewas liggen, haalt Soro zijn schouders op. Jagen stropers zelfs op nijlpaard? „Ja, hoor”, zegt Soro doodgemoedereerd. „Nijlpaard is heel lekker.”

Ooit hadden rijke investeerders grootse plannen met Fakolo. Aan de rand van het dorp staat een verwaarloosd hotel met een zwembad en twintig los van elkaar staande kamers. De uitbater had een reusachtige generator laten komen om heel Fakolo te verlichten. Toeristen werden per helikopter ingevlogen.

Nog voor het uitbreken van de crisis bleek echter dat het hotel niet rendabel was. De Wereldbank bemoeide zich ermee en adviseerde eigenaar Serge Roux ook een struisvogelfarm te beginnen. Roux heeft nog twee vogels over die hij in 2002 besloot te evacueren. Sindsdien stappen ze parmantig door zijn tuin in de duurste wijk van de zuidelijke havenstad Abidjan.

Roux is notaris van beroep, maar hij leeft voor de jacht. Het pronkstuk van zijn kantoor is een olifantenschedel met slagtanden. Een buffelkop kijkt vanaf de muur neer op de bezoeker, die uitgenodigd wordt om op een stoel met een pantervel te gaan zitten. Roux is lyrisch over Comoë. „Tot nu toe valt het reuze mee met de stroperij”, zegt hij. „Het wild wordt niet systematisch afgeslacht. Wat rampzalig is, is dat veehouders tegenwoordig hun runderen in het park laten grazen.” Roux schetst zijn reddingsplan voor Comoë met een pen die hij uit een opgezette olifantenslurf wipt. Hier, een driehoekige zone in het reservaat zou aangewezen moeten worden als jachtgebied. Met het geld dat de jacht oplevert, kan de lokale bevolking gestimuleerd worden om aan natuurbeheer te doen. Roux: „Privatisering van het park is de enige oplossing.” Het plan heeft weerklank gevonden bij buitenlandse donoren, maar de meesten willen wachten tot de crisis voorbij is. En dat, zo weet iedereen in Ivoorkust, kan nog wel een paar jaar duren.