De vrouw zweeft weg

Arjaan van Nimwegen Foto Chris van Houts Houts, Chris van

Arjaan van Nimwegen: Huisgenoten. Wereldbibliotheek. 272 blz. € 17,50.

Arjaan van Nimwegen (1947) schrijft graag over zwartkijkers. Dat moet wel de conclusie zijn na drie romans waarin dwarse, narrige heren hoofdrollen spelen. In Van Tol kijkt om (2002) konden we kennismaken met de bokkige Van Tol en in Welkom thuis met de weerspannige Dijkstra. En nu is er Johan, de hoofdpersoon van Huisgenoten. De gemoedelijke titel is misleidend, want in Huisgenoten leeft Johan vooral langs zijn huisgenoten heen. Hij heeft een WAO-uitkering. Om zijn zompige leven nog enige inhoud te geven, besluit hij te gaan spitten. In navolging van een Duitse archeoloog hoopt hij vroeger eeuwen op het spoor te komen door de kelder van zijn huis uit te graven.

Terwijl hij steeds dieper wegzakt in de aarde, zweeft zijn vrouw er juist ver boven. Zij zwelgt in zelfgeschreven poëzie en in de romannetjes die ze vertaalt en zij koestert vage liefdesverlangens. Hun twee dochters, die in een weer heel andere fantasiewereld leven, zijn ‘gothic’ en doen aan ‘magic’. Met torren in luciferdoosjes voeren ze een soort eigentijdse voodoo-rituelen uit. Van de sikkeneurige, tirannieke huisbaas, met zijn dubieuze oorlogsverleden, valt al helemaal geen gezelligheid te verwachten. De meest normale huisgenoot is nog wel de asielzoeker Níjola, ook geen vrolijke Frans trouwens, die in het huis een zolderkamer huurt. Hij doet wanhopige pogingen om zich aan te passen aan ‘hier’ en zijn heimwee te vergeten naar ‘daar’. Over het waar van dat daar laat Van Nimwegen ons een roman lang in het ongewisse. Zuid-Afrika? Angola? Of Mozambique?Of zou het toch een verzonnen land zijn? Waarom wij de naam van het land niet mogen weten, wordt niet duidelijk. Wel wordt er steeds gezinspeeld op dat verre land, op kleine mannen met snorren en vrouwen met geborduurde rokken en omslagdoeken, op bonkige boerenmuziek, op bergen, valleien, rivieren, havensteden en op oorlog en communistisch verzet.

In Huisgenoten krijgen we wel meer van dit soort raadsels gepresenteerd. Op andere momenten heeft Van Nimwegen juist de neiging om teveel te onthullen, uit te leggen en te verklaren. Tot vervelens toe mag Johan ons kond doen van de diepere bedoelingen van zijn gegraaf. Steeds opnieuw maakt zijn echtgenote ons deelgenoot van haar romantische verlangens. De twee meisjes worden niet moe om hun gotische en magische capriolen nader toe te lichten. En ook de vluchteling en de oude huisbaas mogen bij herhaling hun zegje doen over hun weinig florissante levens.

Een roman uit één stuk is Huisgenoten bepaald niet. Steeds botsen kleine geheimzinnigheden op veel te expliciete ontraadselingen. Aardige suggesties worden overspoeld door veel te lange uitweidingen. Krijgt het verhaal een keer vaart, dan gaat al gauw de rem er weer op met een nieuwe vracht aan details, explicaties en levensbeschouwelijke uiteenzettingen.

Van Nimwegen heeft een pittige hand van schrijven (’wel aandrang, maar schijten, ho maar’) en weet de beklemming van zijn romanfiguren goed over te brengen. Maar hij geniet teveel van zijn formuleringen. Teveel benardheid en beklemming, hoe snedig ook gebracht, werkt op den duur niet. Het is het teveel dat Huisgenoten de das om doet. Te veel leuk bedoelde zinnetjes, te veel details, te veel zand, vuil en zompigheid, te veel keldertorren. Teveel doodsdreiging en te weinig leven in de brouwerij.

Van Nimwegens roman is weinig geloofwaardig. Men voelt lang van te voren aankomen dat het verkeerd gaat aflopen. De een na de ander wordt uit het stuk weggevaagd en geen mens zal er een traan om laten. De doem en de voorbeschikking liggen er vanaf het begin veel te dik bovenop. ‘De wereld was een diep en duister gat’, merkt een van de romanfiguren ergens halverwege op. De lezer, die er dan ook allang geen gat meer in ziet, knikt gelaten. En als, na eindeloos veel getob, tegen het eind van de roman, een ander personage vaststelt dat ze altijd al heeft geweten ‘dat niets ooit, hoe dan ook, iets kan worden’, dan kunnen we het moede hoofd er alleen nog maar bij neerleggen.

Zoals Van Nimwegen het zegt, zo is het vermoedelijk helemaal – als we er voorlopig maar niets meer over hoeven te lezen.