De vrouw als dodelijk wapen

Noorwegen viert de honderdste sterfdag van toneelschrijver Henrik Ibsen uitbundig. „Zijn vrouwelijke personages zijn onsterfelijk.”

‘De demonen van Ibsen zijn ook de demonen van de Noren. Noren zijn nu eenmaal een dramatisch volk. En ja, ik heet Nora en mijn zusje heet Hedda.” De vrouw van rond de vijftig neemt een korte, weloverwogen pauze. „Het is echt waar. Mijn leven lang komen er al actrices langs om te kijken hoe ik een kopje thee drink, want ze denken dat ik de echte Nora ben.”

Het zijn meteen al onvergetelijke zinnen die Nora Ibsen uitspreekt, de achterkleindochter van de toneelschrijver Ibsen (1828-1906), die op 23 mei van dit jaar honderd jaar geleden overleed. Zij houdt residentie in een rijk gedecoreerde zaal in het superchique Grand Hotel in het hart van Oslo, aan de esplanade Karl Johansgate. In het bijbehorende Grand Café dronk Ibsen in zijn gloriejaren elke dag, stipt om half een, een glas Duits bier en een hartversterkende jenever. Hij had er een vaste tafel aan het raam, liet zich bewonderen. Op een reusachtig schilderij dat de hele breedte van de achterwand beslaat, staan de beroemde gasten van de Grand afgebeeld. Er heerst een roezemoezige drukte. Mannen met baarden en snorren, vrouwen met stijlvolle hoed, wespentaille, parasol in de hand. En terzijde van dit stadse gewoel, half verscholen achter een pilaar, staat Ibsen met gefronst gelaat. Dat is scherp gezien van schilder Per Krohg: Ibsen als de parasiet van het mondaine leven. Hier moet hij de vrouwen zijn tegengekomen die in opstand kwamen tegen hun huwelijksleven. Op het schilderij kun je ze zien, de Nora’s, de Hedda’s, de Rebecca’s.

Nora Ibsen vervolgt: „Om Ibsen te begrijpen moet je Noorwegen begrijpen. De mensen leven in grote eenzaamheid aan de fjorden van dit grote lege land. In de negentiende eeuw, de tijd van Ibsen zelf, leefden de vrouwen in het isolement waar Nora of Een Poppenhuis en Hedda Gabler over gaan.”

De sterfdag van Ibsen gaat in Noorwegen niet ongemerkt voorbij. Hij is alomtegenwoordig in de hoofdstad. Op een van de banken in het park tegenover het Nationaltheatret pronkt een gipsen buste van de befaamde toneelman. Ibsens hoofd werd op latere leeftijd vergeleken met een leeuw wegens zijn golvende haren als manen en de weelderige bakkebaarden. Ibsens standbeeld staat robuust en onverzettelijk links van de ingang van het Nationaltheatret, de schouwburg waar zijn huwelijksdrama’s met vereenzaamde, revolterende vrouwen in de hoofdrol triomfen vierden. In de foyer hangt een portret van Ibsen. Affiches van zijn toneelwerk hebben de stad in bezit genomen. Zo is het stuk De vrouw van de zee (Fruen fra havet, 1888) te zien in het vooruitstrevende Centralteatret, op een steenworp afstand van het Nationale Theater dat eerder het bolwerk van het gevestigde toneel is. De Ibsen-herdenking gaat gepaard met galaopvoeringen, lezingen en de wetenschappelijke heruitgave van zijn toneelstukken en gedichten. Ibsen is overal, ook wereldwijd. Hij werd in 75 talen vertaald.

Nora Ibsen is klein van stuk, net als haar overgrootvader. Het volle, lange haar is samengebonden. Ze draagt een vracht aan kettingen. Dat ze Nora heet en haar zuster Hedda heeft haar ‘haar leven lang achtervolgd’. Ze neemt het opgewekt. Ze vertelt dat Ibsen een ijdele man was, zo ijdel dat hij zijn kleine postuur trachtte te verhullen door op schoenen te lopen met hoge hakken. Hij droeg een hoge hoed, model kachelpijp, die hem langer maakte. En als toppunt van Ibsens drang in fysiek opzicht een grote man te zijn, kamde hij zijn haren omhoog.

Vietnam

Nora Ibsen vertelt graag over haar beroemde voorvader. Nora, dat oorspronkelijk Een Poppenhuis heet, is uitgegroeid tot het meest gespeelde stuk ter wereld en verslaat daarmee Hamlet of Antigone. Alsof het de gewoonste zaak is van de wereld vertelt Nora dat het stuk in Vietnam, China, Taiwan en Indonesië op het repertoire staat en volle zalen trekt. Hoe kan dat? „Al tijdens zijn leven drong Ibsen er bij zijn uitgever op aan om toneelwerk in Azië vertaald en gespeeld te krijgen”, zegt ze. „China was een van de eerste landen waar Nora op de bühne kwam. Het stuk kreeg nog meer bekendheid omdat een van de vrouwen van Mao erin speelde. De vrijheidsbeweging voor vrouwen heet daar noraïsme.”

Aan het eind van de negentiende eeuw, toen Ibsen zijn huwelijksdrama’s schreef, aarzelde de toneelschrijver sterk over zijn diepste onderwerp: vrouwen, de vrijheidsbeweging van vrouwen, getrouwde vrouwen die onafhankelijk willen zijn, vrouwen die hun man doodschieten, zoals Nora, omdat zij hun bemoeizucht onverdraaglijk vinden, vrouwen die meer willen dan het moederschap alleen, een vrouw als Hedda Gabler, die zelfmoord pleegt. Onlangs zag Ibsens achterkleinkind in Berlijn de regie van Thomas Ostermeier van Nora door de Berliner Schaubühne. In deze heftige enscenering schiet Nora haar echtgenoot dood. Ze jaagt hem niet één maar acht, negen kogels door het hoofd en gooit hem vervolgens in een aquarium. Het water kleurt bloedrood. Nora Ibsen: „Ik was bang geschokt te zijn, maar nee. Het was een regie die aan de vrijheidsdrang van Nora alle recht doet.”

Ibsen en vrouwen, Ibsens kvinner, is de leidraad voor het Noorse Ibsen Festival. De naam van Ibsen valt samen met de namen van zijn vrouwenpersonages: Nora Helmer, Hedda Gabler, Helene Alving uit Spoken, Ellida Wangel van De vrouw van de zee en Rebecca West, de tragische heldin uit Rosmersholm. Hun achternamen zijn veelal de naam van hun eega’s. Het zijn burgerlijke mannen die in de Victoriaanse tijd de vrijheid van de vrouw beknotten. De man beheert het geld in het huishouden. De man leidt een sociaal leven buitenshuis, hij gaat naar zijn club of neemt deel aan ander mannenvertier. Tot aan het eind van de negentiende eeuw werd stemrecht de vrouw onthouden. Nora Ibsen herhaalt het nog een keer, ditmaal opeens fel: „Om Ibsen te begrijpen moet de regisseur en speler, en ook de toeschouwer, iets weten van de benarde, verstikkende huwelijken waarin de Noorse vrouw was gevangen.”

Meisjesdromen

Ik vraag of ze misschien ook ‘verveeld, ontevreden en verwend’ zijn, smeltend in ‘meisjesdromen’ als paardrijden, het dansen van de tarantella, met een schip wegvaren over zee, champagnefeestjes met ‘schaaltjes vol fondantjes’ en ‘wijnranken in het haar’. Maar Nora Ibsen laat zich niet uit het veld slaan, ze antwoordt: „Ibsen was een schrijver die midden in zijn tijd stond. De opkomst van de vrouwenbeweging lag hem na aan het hart. Dat hij over de hele wereld wordt opgevoerd, is te danken aan zijn onsterfelijke vrouwelijke personages. Zij zijn zelfbewust, krachtig, sterk, vrijheidslievend, zelfstandig. Dat Nora aan het slot van Een Poppenhuis weggaat met achterlating van haar kinderen, was rond 1880 een schokkende daad. Na het zien van dit drama kozen duizenden vrouwen voor echtscheiding. Er ging een echtscheidingsgolf door Noorwegen, later ook Duitsland en andere landen in Europa.”

Vlak om de hoek van het Nationaltheatret is in de bibliotheek van Oslo, de Nasjonalbiblioteket, een tentoonstelling ingericht van beeldhouwster Nina Sundbye. Zij heeft de beroemde Ibsen-vrouwen in brons gegoten, spelend in de meest dramatische scènes. De sculptuur van Nora die in een vrijheidsroes de tarantella danst, drukt in alle zwierende, wervelende dynamiek heel het ibsenisme uit, zoals de thematiek van de Noor kortweg heet. Vrouwen die bevrijd willen worden, maar door man en conventie worden tegengewerkt. Zij vechten tegen het fatum dat huwelijk heet. Ze verlangen pure liefde, maar de man ontpopt zich als een kille dwingeland.

Ibsen zelf verwoordde zijn opvattingen in een voorwoord op Hedda Gabler als volgt: „Het is mijn belangrijkste oogmerk om mensen uit te beelden, menselijke stemmingen en het menselijk noodlot, waarbij ik me laat leiden door heersende maatschappelijke omstandigheden en begrenzingen.”

Voor Hedda is de zinnelijke, hartstochtelijke Spaanse dans, waarbij haar jurk hoog opwaait en ze haar bovenlichaam trots naar voren duwt, het symbool van bevrijding. Dankzij de dans vindt Nora de energie de breuk met haar man op scherp te stellen; ze roept hem toe: „Maar ons huis is nooit iets anders geweest dan een speelkamer. Ik was je poppenvrouwtje, zoals ik het poppenkind van mijn vader was. (...) Ik moet op eigen benen staan om mezelf en de wereld om me heen te leren kennen. Daarom kan ik niet langer bij je blijven.”

Voor een actrice is Nora een van de mooiste rollen. Verleidelijk, gevaarlijk, sensueel. Beeldhouwster Sundbye toont Nora met de armen wijd gespreid en een been in de hoogte. Ze houdt de tamboerijn vast. Het is een voorbeeldige toneelscène, uitgedrukt in brons. Van Ibsen zou je het niet gauw verwachten, maar van zijn heldinnen gaat een erotiserende kracht uit. Ook dat heeft Sundbye goed gezien. Het lichaam van haar vrouwenfiguren is verlokkelijk elegant. Een van de opwindendste scènes uit het Ibsen-universum is die waarin Hedda Gabler op verliefde wijze met haar twee revolvers speelt, alsof het juwelen zijn. De regieaanwijzing geeft: „Ze staat bij de open glazen verandadeur en laadt een pistool.” In de opvoeringen die ik zag streelt ze het wapen, alsof het juwelen zijn. Later vallen er doden. Tot slot schiet de heldin zichzelf door het hoofd.

In de sculptuur van Hedda zijn pistool en vrouwenlichaam een. De welving van de greep gaat over in haar dijen. De loop transformeert tot haar bovenlijf met volle boezem. Ze lijkt op een zeemeermin. Uit haar rug komt de trekker tevoorschijn. Vrouw en dodelijk wapen tegelijkertijd: dit is het ibsenisme ten voeten uit.

Vlak om de hoek van het Nationaltheatret ligt Ibsens woonhuis, een hoekpand aan Arbins gate 1. Hier sleet hij de de laatste decennia van zijn leven. Hij had een vast dagritme van schrijven in de ochtend, ’s middags naar het Grand Café en daarna wandelen door de paleistuin. Hij las kranten, nooit romans. Met zijn kleine gestalte en weelderige haardracht was Ibsen een opvallend onderdeel van het straatbeeld. Voor karikaturisten was hij een dankbaar slachtoffer; onveranderlijk schetsten ze hem met korte beentjes, zwarte jas, buitensporige kop met spiedende blik en smalle, wat verbeten mond.

Ibsens woonhuis met werkkamer had lange tijd achterstallig onderhoud. Nu zijn werklieden in de weer het interieur in authentieke luister te herstellen. Zij oriënteren zich op oude foto’s en schilderijen. De opening is vastgesteld op 23 mei, de sterfdag. Opvallend is de donkerte van gordijnen, schilderwerk, muren. Het heeft iets benauwends. Moeiteloos zijn in dit binnenhuis de decorbeschrijvingen van Ibsens toneelstukken te herkennen met leunstoelen, gordijnen, tafels, een sofa, de kachel.

In vergelijkbare woningen verdoen zijn heldinnen hun tijd, tot ze eruit willen breken. Nora vlucht. Hedda pleegt zelfmoord, net als Rebecca. Aan de massieve werktafel schreef Ibsen zijn toneelstukken. Hij had een grief tegen het woonhuis: er komt geen zonlicht binnen. Zijn werkkamer ligt op het noorden.

Het verlangen naar de zon is overheersend in Ibsens werk. Aan het eind van Spoken staat de hartenkreet: „Moeder, geef me de zon.” Voor de vrouwen in zijn werk staan de zon en het zuiden gelijk aan vrijheid. Ze willen niet alleen weg uit het huwelijk, vooral ook de donkere huizen voorgoed verlaten. In 1902, vier jaar voor zijn dood, liet Ibsen in een gesprek weten: „Iedereen die mij wil begrijpen moet Noorwegen kennen. Die donkere winters met de dikke mist buiten – ah, de mensen verlangen naar de zon!”

Nora Ibsen zei het ook al: Ibsen en Noorwegen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

The International Ibsen Festival, Oslo 2006. Inl.: www.ibsenfestival.no; Ibsen Museum, Arbins gate 1, Oslo. Inl.: www.ibsenmuseet.no