De puberhumor van een driestuiverdenker

Het is een diep raadsel waarom Michel Houellebecq ooit een groot schrijver is genoemd. Lees en discussieer mee op www.nrc.nl/leesclub

De wereld als markt en strijd is Houellebecqs eerste roman en op de openingsbladzijden gaat het al helemaal mis. Er is sindsdien een handvol romans op gevolgd, maar goedgekomen is het nooit meer. Het diepste raadsel is hoe Houellebecq ooit een groot schrijver is genoemd.

Opmerkelijk genoeg is de roman nog maar twintig bladzijden op streek, of Houellebecq geeft daarvoor zelf de redenen aan, zij het in de veronderstelling de sterke kanten van zijn boek te kenschetsen. Hij heeft, in de vertaling van Martin de Haan, ‘een brede boodschap’ en daartoe moet hij afzien van de ‘subtiele psychologische observaties’ en ‘realistische details’ waarin andere schrijvers zich verliezen. ‘Het doel dat ik me stel is veel filosofischer en om het te bereiken zal ik juist moeten snoeien. Vereenvoudigen.’

Het resultaat is een boek dat inderdaad zo plat is als een dubbeltje en dat tot in de kleinste leestekens zijn boodschap uitschreeuwt. Het klassieke gebrek van de ideeënroman wordt door Houellebecq tot in het groteske opgerekt – en dat zou in de daaropvolgende romans alleen maar erger worden. Het vorig jaar verschenen Mogelijkheid van een eiland bereikte daarin een bijna fascinerend dieptepunt.

Wat is Houellebecqs boodschap in deze debuutroman, die oorspronkelijk ‘Uitbreiding van het terrein van de strijd’ heette? Ze wordt halverwege het boek voor de lezer nog eens uitgespeld, opdat deze wijsheid hem maar niet ontgaat. Zoals de kapitalistische ‘wet van de markt’ de strijd om het geld centraal heeft gesteld, zo heeft de seks zich, sinds de bevrijding ervan, ontwikkeld tot een tweede terrein waarop mensen zich door succes of falen van elkaar onderscheiden. Beide zijn onafhankelijk van elkaar, maar doen in meedogenloosheid niet voor elkaar onder.

Goed gebruld, leeuw – maar wereldschokkend mag dit moralisme nauwelijks heten. Aardig geïntroduceerd wordt deze moderne sirenenzang wel, aan de hand van een bijfiguurtje in Houellebecqs roman, die vrijheid geheel volgens de dogma’s van de business school definieert als ‘de mogelijkheid wisselende koppelingen tussen individuen, projecten, instanties en diensten tot stand te brengen. De maximale vrijheid kwam volgens hem overeen met het maximale aantal mogelijke keuzen.’ Even verschijnen op het netvlies de Smit-Kroezen, Brinkhorsten en Jorritsma’s van deze wereld, tegenover wie men zich zelfs even aan de zijde van Houellebecq zou willen scharen.

Maar lang duurt dat niet, want prompt bederft de schrijver Houellebecq het weer voor de denker. Van deze bijfiguur horen we verder niets meer. Het punt is gemaakt, het personage kan de prullenbak in. Erger is het wanneer Houellebecq zo’n honderd bladzijden verder hetzelfde doet met het personage waarmee hij de seksuele strijd (en ondergang) illustreert. Dat is geen bijfiguur, maar ook hij mag niet meer zijn dan de kapstok van een Idee. Is dat eenmaal te berde gebracht, dan kiest Houellebecq de gemakzuchtigste manier om van een personage af te komen. Hij laat hem diezelfde nacht nog verongelukken op de snelweg.

Deze minachtig voor wat een romanpersonage zou kunnen zijn heeft Houellebecq in zijn schrijfprogramma dan al aangekondigd. Maar erg streng houdt ook hij zich niet aan zijn regels. Terwijl van enige psychologische diepte inderdaad geen sprake is, barst het boek uit zijn voegen van de ‘realistische details’ die het boek het tegendeel van vereenvoudiging brengen. Een oeverloze aaneenschakeling van minuscule gebeurtenisjes wordt alleen bijeengehouden door het monotone ‘en toen, en toen, en toen’ van het kleuterverhaal dat nog geen idee heeft van structuur.

Nog ergerniswekkender is een ander verraad aan de eigen principes: de belofte af te zien van pogingen tot ‘humor en scherpzinnigheid’ waarmee een auteur ‘de handen op elkaar kan krijgen’. Helaas zijn het juist deze detailbeschrijvingen waarmee Houellebecqs gewilde cynisme de lezer al schmierend tracht te behagen. Gezegd moet worden dat hij daarin in ieder geval het kleuterstadium ontgroeit – om terecht te komen in het soort gedurfde humor waarmee aankomende pubers hun wereldwijsheid trachten te bewijzen.

Een wanhopige verdediger van deze wereldschrijver zou kunnen opmerken dat het niet Houellebecq maar de hoofdpersoon is die hier het woord voert. Een sterk argument is dat nooit – en des te minder omdat de schrijver ook in zijn daaropvolgende boeken niet heeft getoond tot een hoger niveau in staat te zijn. Wel werd de toon van de moralist alleen maar sterker – en onvermijdelijk slaat daarin de toon van het cynisme om in zijn larmoyante tegendeel. ‘Liefde is onschuld, ze veronderstelt dat je in staat bent illusies te koesteren [...] ze is dan ook zelden bestand tegen een jaar van seksueel gescharrel,’ zo luidt het al in De wereld als markt en strijd, om aan het slot van Mogelijkheid van een eiland uit te monden in een soort Bob Evers meets Isabel Allende.

De almaar gruwelijker beelden die Houellebecq – patsboem – nodig heeft om zijn prediking uit te dragen verraadt niet alleen zijn onmacht als romancier. Het toont hem ook als de driestuiversdenker die door wat filosofische koketterie een lezerspubliek heeft weten te begoochelen. Sindsdien gaat hij door voor een groot Denker, die de impasses van de late moderniteit tot op het bot weet te ontleden. En ongetwijfeld is het met de laatste droevig gesteld. Een wereld waarin dit oeuvre deze weerklank krijgt, heeft inderdaad ieder criterium (van stijl, van subtiliteit, van doorzicht) verloren. Van die moderniteit vormt Houellebecq niet de diagnose, maar de kwaal.

    • Ger Groot