De hamvraag zit in de hormonen

Antjie Krog (Kroonstad, 1952) Foto Freddy Rikken 22/3/99 Foto Freddy Rikken Antjie Krog dichteres Zuid Afrika Rikken, Freddy

Antjie Krog: Lijfkreet (Verweerskrif). Uit het Afrikaans vertaald door Robert Dorsman en Jan van der Haar. Podium, 180 blz. €18,50

Breyten Breytenbach: Intieme vreemde. Een schrijfboek. Uit het Engels vertaald door Krijn Peter Hesselink, Podium, 191 blz. €19,50

Is het terecht dat dichters die van hun oeuvre een vrijplaats maken voor een persoonlijke zoektocht, hoger worden aangeslagen dan dichters die denken dat ze de wereld kunnen veranderen met hun gedichten? Of is dat een typisch westerse gedachte?

In Zuid-Afrika heeft de – vanuit westers perspectief – nogal slechte dichter Mzwakhe Mbuli een enorme cultstatus. Zijn gedichten zijn aanklachten tegen het nieuwe Zuid-Afrika, maar opvallender is het zelfbewustzijn dat uit zijn poëzie spreekt. Zo opent hij zijn optredens met: ‘Mijn poëzie is authentiek / Mijn poëzie is een Godsgeschenk / Mijn poëzie is vernieuwend / Mijn poëzie is onweerstaanbaar / Mijn poëzie is niet fictief / Mijn poëzie is profetisch / Mijn poëzie resoneert… resoneert…’ Het klinkt nogal arrogant maar misschien zegt Mbuli slechts hardop waarnaar elke dichter eigenlijk streeft: een verweving van taal, persoonlijkheid en werkelijkheid.

De meeste dichters nemen daarvoor een minder directe route dan de vergroting van het talig ego die Mbuli hanteert, maar ook dichters als Antjie Krog en Breyten Breytenbach houden zich bezig met deze elementen. In haar vorige boek Een andere tongval onderzocht Krog al de kracht van poëzie. En ook Breytenbach is in zijn ‘schrijfboek’ Intieme vreemde op zoek naar een rechtvaardiging voor het dichterschap. Het is voor hem een moeizame zoektocht; in colleges, lezingen, notities, gedachten en gedichten ordent hij zijn overwegingen: ‘Een gedicht is niet slechts een stellingname of het aaneenrijgen van woorden. Het is ook de verwezenlijking van een metamorfose in wording’ en ‘We schrijven om de werkelijkheid te vangen in een levende spiegel’.

Dat zijn niet de meest opzienbarende visies, maar het is interessant om te volgen hoe Breytenbach schippert tussen pogingen überhaupt iets over te brengen en het idee dat alleen woorden, en poëzie in het bijzonder, de werkelijkheid kunnen bevatten. Hij komt er echter niet uit: hij wil de werkelijkheid ontsluieren door middel van fictie, maar wanneer hij dicht over 11/9, komt hij toch niet verder dan het cliché: ‘dolend door de door vlammen gevoede dag’.

Ondanks de aarzeling die hij telkens verwoordt, heeft hij een groot vertrouwen in kunst en in de waarde van persoonlijke, individuele scheppingskracht. De twee combineert hij wanneer hij nadenkt over de functie van het schrijven na 11/9. Hij vreest enerzijds voor de inperking van de individuele vrijheid, anderzijds ziet hij de gebeurtenis als een uitdaging: ‘Gebeurtenissen als 11 september en de daaropvolgende oorlog (of moeten we zeggen het daarop volgend blindemannetje?) confronteren ons met de uitdagingen van ons vak. We mogen wel dankbaar zijn dat deze katalysator onze waarden opschudt, onze gewaarwordingen scherp stelt, onze prioriteiten herschikt, ons herinnert aan onze beperkingen en ons opnieuw bevestigt in de overtuiging dat het woord zich kan uitstrekken om de verschrikkingen en de complexiteiten van de werkelijkheid te weerspiegelen.’

Breytenbach heeft weliswaar even hoge verwachtingen van de uitwerking van poëzie als Mbuli, maar de eeuwige aarzeling zit hem in de weg en onder individualiteit verstaat hij duidelijk iets abstracts. Vanuit zijn wantrouwen jegens alles wat riekt naar het etaleren van eigen leed, ageert hij fel tegen wat hij noemt ‘mij-isme’ (schrijvers die zichzelf en ‘de geur van zijn gassen’ als onuitputtelijke bron zien). ‘Het huiselijke “zelf” voert niet direct naar meer opwindende vergezichten. Uiteindelijk verbleekt het door masturbatie tot smakeloze onverschilligheid’. Maar is juist het uitblijven van die ‘mij’ niet de oorzaak dat Breytenbach de oplossing niet vindt?

Hoewel Krog en Breytenbach beiden zoeken naar de relatie tussen poëzie en werkelijkheid, is Krog toch het type auteur dat volgens Breytenbach zal lijden aan ‘mij-isme’. In haar nieuwste, mooie bundel Lijfkreet schrijft ze vanuit het expliciete perspectief van een vrouw in de overgang. Geen lichamelijk ongemak wordt verdoezeld, noch de heftigheid van de emoties waarmee dat gepaard kan gaan. Hoewel veel van haar gedichten persoonlijk zijn, spant deze bundel wat dat betreft de kroon. Zelden is ze zo direct geweest als in de eerste afdeling van Lijfkreet. Bezoekers van de Nacht van de Poëzie kennen al de menopauze-cyclus die in Zuid-Afrika zoveel stof deed opwaaien omdat ze te onsmakelijk en vulgair zou zijn.

De transformatie van poëzie waar Krog in een Andere tongval mee bezig was, heeft nu betrekking op het eigen lichaam, in plaats van op taal en geschiedenis. En dat blijkt minstens zo ingrijpend te zijn. Het voelt ‘als een overval, want plotseling lijkt / het alsof alles lubbert aan haar lijf, alsof er niets / meer echt wil blijven zitten’ (‘Los-vast’). Waar het op neer komt: ‘hormonen of geen hormonen, dat is de hamvraag.’

En dus verandert ook de seksualiteit maar dat heeft nog een verrassend positief te duiden diepere laag. Nu voortplanting biologisch niet meer mogelijk is, wordt de beleving ook zuiverder: ‘je // wijdt je in alle rust aan jij – in / deze schat aan ervaring strek ik me uit, het is / alsof je dieper in me gaat, ik stiller word, alsof we / in alle heelheid klaarkomen.’ Maar de meeste gedichten in deze afdeling zijn hard, direct, somber, ontnuchterend. In het gedicht ‘Sinds’ wordt de balans opgemaakt.

sinds  

wij deze weg zijn ingeslagen

worden we ’s avonds donker

van tong en vertalen we ontbinding

[…]

hoe sterk onze dijen hoe

vurig hoe vlug van fi-

ligrein het hart dat ha-

merend beukt in het niets

Een van de mooiste gedichten is ‘Leave me a lonely began’ waarin een ober besluit dat zijn café gesloten kan worden, want ‘de zaak is leeg’. Maar zij zit er nog, onopgemerkt en ze beseft dat ze in zekere zin een onzichtbare vrouw is geworden.

voor de ober hoort ze bij het inte-

rieur. hoe heeft het zover kunnen komen tot

hier en nu waar alles ophoudt

haar te zien als vrouw?

Behalve met aftakeling is Krog ook opnieuw bezig met de relatie tussen geschiedschrijving, orale traditie en poëzie. In de twee andere afdelingen waaruit Lijfkreet bestaat, hangen de laatste twee min of meer samen: het zijn eigenzinnige ‘beschrijvingen’ van Kaapstad waarin ze laat zien dat een beschrijving van deze omgeving allerminst ‘klaar’ kan zijn. Angst, armoede en verstedelijking worden vermengd tot een sociaal bewust geheel:

als ze slaapt, scharrelt er een in de vuilnisemmers

als ze koffie zet

schijt er een op de trappen tussen de Buxton en de Rosmeadstraat

als ze een ommetje maakt

duikt er een zomaar op tussen de struikenbij het stoplicht is waakzaamheid geboden

dat ruitenwassertjes je niet het zicht benemen

Hier heeft Krog het persoonlijke domein grotendeels verlaten. Dit zijn de observaties van een gegoede inwoner van Kaapstad. Bewust, misschien zelfs met schuldgevoel, maar goed en raak opgeschreven. Krog lijkt evenzeer te worstelen met de relatie tussen poëzie en werkelijkheid als Breytenbach. Maar ze vertrekken vanuit verschillende perspectieven: dat van de persoonlijke inzet tegenover het standpunt van de analyticus. Eén ding hebben ze gemeen: de cultstatus van Mbuli zullen ze nooit bereiken, daarvoor overheerst te zeer de twijfel aan de eigen zeggingskracht.

Zondag a.s. wordt Breyten Breytenbach geïnterviewd door Wim Brands in Boeken &cetera, Ned. 3, ca. 13.00 uur

    • Toef Jaeger