Carnaval der reclamejongens

Kluun: De weduwnaar. Podium, 265 blz. €15,–

In de literatuur kunnen banale gebeurtenissen en voorspelbare emoties de vorm krijgen van unieke ervaringen die nooit eerder als zodanig zijn verwoord. Niet de beschreven gebeurtenis of de emotie zelf, maar de vorm en de taal bepalen het literaire gehalte. Met deze maatstaf is het onmogelijk De weduwnaar van Raymond van de Klundert (1964) als literatuur te bestempelen. Evenals in het eerste deel van zijn memoires, Komt een vrouw bij de dokter, banaliseert de schrijver herkenbare en door iedereen ervaren, maar ook voor iedereen unieke, gevoelens van liefde, schuld en rouw tot een platvloerse soap. De vorm parasiteert juist op die herkenbaarheid, de uitdrukking van de emoties sluit aan op de beleving van lezers die de verwoording van dergelijke ontroeringen vooral kennen uit of ontlenen aan B-films en tv-series.

Kluun, zoals de schrijversnaam van Raymond van de Klundert luidt, valt naar eigen zeggen vrijwel samen met de 36 jaar oude Stijn uit zijn geromantiseerde autobiografie. Hij komt uit Brabant waar hij is opgegroeid met het carnaval als jaarlijks cultureel hoogtepunt en maakt – eenmaal volwassen – furore in die andere maskerade: de reclame. Zijn belangrijkste wapenfeiten in het leven: een ‘eigen zaak’ en een huis in Amsterdam-Zuid van 400 vierkante meter. O ja, en hij heeft een vrouw van 36, Carmen, een dochter van 3 en een heleboel vriendinnen met wie hij ‘vreemdgaat’. Maar dan krijgt zijn vrouw kanker en vervolgens gaat ze dood. Voor wie Komt een vrouw bij de dokter niet heeft gelezen, staat het allemaal bondig samengevat in het eerste hoofdstuk van De weduwnaar, compleet met ‘inzetjes’ waarin de personages uit het vorige boek worden voorgesteld.

Het enige interessante aan De weduwnaar is het milieu dat er in wordt beschreven. Kluuns personages zijn ordinair tot op het bot, met als enige referentiekader de commerciële televisie en de wereld van ‘Bekende Nederlanders’ zoals beschreven in de roddelpers, waarin alles om uiterlijkheden draait. Van de begrafenis van zijn vrouw die natuurlijk in een witte lijkwagen wordt weggebracht, herinnert Stijn zich vooral dat hij zijn ‘witte Joop!-pak’ aanhad.

Helaas waren er geen camera’s bij om dat te filmen, en dan was er toch eigenlijk niets aan te beleven. Alhoewel, je kunt altijd doen alsof die camera’s er wél zijn. ‘Ik heb twee jaar de tijd gehad om me op dit moment voor te bereiden en nog voelt het alsof ik in een film ben beland,’ denkt de weduwnaar tijdens de uitvaart. Je bestaat pas als er een camera van Hart van Nederland op je gericht staat, gevoelens zijn alleen ‘echt’ als je ze herkent van de tv. Stijn, met zijn onbenullige leven en geleende emoties, beschouwt zichzelf als ster in een hedendaagse soap. Hij kijkt – zoals zoveel moderne would-be figuren – met de ogen van de tv-consument naar zichzelf. ‘Hier lopen we dan,’ schrijft hij over de begrafenis van zijn grote liefde. ‘Ik ben er nog steeds niet uit wat hier de bedoeling van is, maar als ik zelf niet de pineut zou zijn, zou ik bijna respect kunnen opbrengen voor degene die dit script heeft verzonnen: hedonist wordt verliefd, trouwt, krijgt kind, gaat vreemd, vrouw wordt ziek en overlijdt, hedonist blijft over met dochter en een vraagteken over de zin van dit alles. Zo verzin ik ze zelf niet hoor.’ Het pijnlijke is dat dit geen pastiche is, maar de als normaal ervaren onmacht zelf iets te voelen en daar de woorden voor te bedenken.

Het ligt voor de hand om het uit het leven gegrepen script van Kluun te vergelijken met de persiflages van Heleen van Royen op de aloude driestuiver-, kasteel-, dokters- bouquetreeksromans, maar daarmee zou ik Van Royen tekort doen. Anders dan Kluun beschikt zij over zelfspot. Bovendien afficheert zij haar boeken niet als autobiografische romans met zichzelf als diep ontroerend personage in de hoofdrol. Literaire pretenties hebben geen van beiden, maar Van Royen schrijft in elk geval lopend Nederlands. Kluun klungelt maar wat aan. Hij weet niet dat herinneren een wederkerig werkwoord is en krijgt zinnen uit zijn pen als: ‘Het voelde niet goed. Ik voelde me schuldig naar Carmen toe, alsof ik geen verdriet heb.’ Dat laatste denkt Kluun als hij weer eens ‘vreemdgaat’. En als hij bij een volgende gelegenheid de vriendin met wie hij ‘vreemdging’ op haar beurt bedriegt: ‘Diep vanbinnen voelde het zelfs als een belediging naar Carmen toe als ik Roos die niet eens mijn vriendin was, ineens wél trouw zou zijn.’

De weduwnaar bevat borrelpraat van een platte boender uit Brabant die na lezing van Jan Wolkers’ Turks fruit (of, waarschijnlijker, het zien van de gelijknamige film) dacht dat het in Amsterdam voortdurend carnaval is. En in de kringen waarin hij verkeert lijkt dat ook zo te zijn: dure kleren, drank, coke en domme lekkere wijven. Wat ontbreekt is drama en het vermogen drama te onderkennen en te ervaren. En dan wordt Kluun opeens een drama in de schoot geworpen, een ‘script’ zoals hij zelf nooit had kunnen verzinnen.

Wat doen de verwijzingen naar Turks Fruit van Jan Wolkers in deze lectuur? Wel, ook die roman gaat over de dood van een geliefde. Niet ‘waar gebeurd’, maar wél echt. Om dat verschil draait in de literatuur alles.

    • Elsbeth Etty