Campert wordt serieus

Remco Campert reageert op quotes uit zijn nieuwste boek Het satijnen hart.

'Het satijnen hart is geen poging om de dood te bezweren'.

De wereld van de kunstenaar is een binnenwereld, gevoed door de buitenwereld (blz. 68)

'Het satijnen hart is mijn tweede roman in korte tijd, nadat ik heel lang geen romans had geschreven. Het idee ervoor kwam snel na Een liefde in Parijs, dat heel goed heeft verkocht maar waarover ik achteraf niet helemaal tevreden ben. Het einde, een onthulling die de intrige rond maakte, kwam te plotseling. Ook voor mij; ik kon niet verder schrijven, verloor alle interesse voor de hoofdpersoon en in de rest van zijn levensverhaal. Dat mag je wel een nederlaag noemen.

'De oude schilder in mijn nieuwe boek - een echte rotzak, heerlijk om te beschrijven - is niet gemodelleerd naar een bestaande schilder. Ik beschrijf hem als een surrealist, een soort Max Ernst; maar zijn carrière, in het naoorlogse Amsterdam en Parijs, doet denken aan die van Appel of Constant. Toen Karel Appel overleed, zal ik alleen daarom al veel benaderd zijn door journalisten. Gelukkig was ik met vakantie. Op mijn leeftijd word je voortdurend gebeld over de doden; er sneuvelen er nogal wat van mijn generatie.'

Het verleden roert zich, maar wat moet ik er mee aan? (blz. 14)

'De titel van de roman heb ik ontleend aan het kunstwerk van de Amerikaan Jim Dine dat op de voorkant van de roman is afgebeeld: Red Design for Satin Heart. Dine liet zich op zijn beurt weer inspireren door een verhaal van Oscar Wilde. Het satijnen hart gaat over hartskwesties, niet alleen figuurlijk maar ook letterlijk, dus het was een voor de hand liggende titel. In het boek beschrijf ik hoe Van Otterlo na de dood van zijn vader, een verzetsheld, werkt aan een lithoserie met hartvormig rood die hij Hart en hersenen wil noemen. Een bevriende criticus raadt hem dat af omdat de titel in het Frans eerder doet denken aan een plattelandsgerecht; hij suggereert Le coeur résistant, het hart dat zich verzet.

'In haar recensie in NRC Handelsblad schreef Elsbeth Etty dat dit natuurlijk een verwijzing was naar 'Rebel mijn hart', het op een na bekendste gedicht van mijn vader. Ik had er bij het schrijven geen moment aan gedacht. De gedichten van mijn vader liggen kennelijk heel dicht onder de oppervlakte.

'Toen mijn vader vorig jaar in opspraak kwam omdat hij wegens verraad door kampgenoten zou zijn vermoord, heb ik daar één column aan gewijd. Daarna heb ik er niet meer over geschreven, ook niet toen een half jaar later na historisch onderzoek bleek dat de beschuldiging van verraad op zijn minst overhaast was geweest. Ik moet daar nooit meer in betrokken raken, dat is niet goed voor me.'

Ik ervaar het oud zijn als een vernedering maar aan de dood ben ik nog niet toe (blz. 99)

'Ik ga bij het schrijven vrij direct uit van mijn eigen ervaringen; de denkwereld van een twintigjarige zou ik niet meer kunnen weergeven, de man van een jaar of vijftig die ik voor mijn volgende boek in gedachten heb, kan ik nog net behappen. Van Hendrik van Otterlo heb ik expres een man gemaakt die een paar jaar ouder is dan ik; hij lijdt aan allerlei kwalen waar ik geen last van heb. Je zou kunnen zeggen dat ik de werkelijkheid probeer vóór te zijn, door zoveel mogelijk toekomstige mankementen te verzinnen. Maar Het satijnen hart is geen poging om de dood te bezweren. Dat Van Otterlo niet sterft op het einde van het boek, is omdat dat té gemakkelijk zou zijn. Hoe onsympathiek hij ook is, hij moet tot inkeer komen en een kans krijgen een nieuw leven te beginnen.

Was ik gelukkig? [.] Als ik terugdenk aan wat ik me herinner komt er een zacht gevoel van weemoed over me, grenzend aan sentimentaliteit, vulgair en oppervlakkig als acrylverf. (blz. 95)

Het satijnen hart heeft een happy end: Van Otterlo begint opnieuw, aan een leven als schilder waarin gedachten aan vergeefsheid niet spelen. Gelukkige mensen kun je beschrijven, het geluk zelf niet. Het is vergelijkbaar met een gedicht of een verhaal, dat ook op zijn mooist is als het op weg naar af is. Een geluksgevoel duurt vaak maar een seconde, en evenwicht is daarbij heel belangrijk. Aan extase kun je beter niet beginnen, want dan verlies je dat evenwicht. Tja, ik bedenk het allemaal ter plekke hoor.

Ben ik door de tijd ingehaald of stijg ik straks, als ik mijn laatste schilderijen maak, boven de tijd uit? (blz. 185)

'Mijn laatste twee romans zijn minder tijdsbewust dan Liefdes schijnbewegingen of Somberman's actie. Ik maak niet meer zoveel mee van het leven om mij heen, en ik vind het moeilijk om dingen te beschrijven die ik niet uit ervaring ken. Disco's en loungeparty's, waar de personages uit Het leven is verrukkulluk zich nu op zouden houden, zijn aan mij voorbijgegaan. Noodgedwongen heb ik me op mezelf teruggetrokken; het beetje tijdgeest dat ik op kan brengen. Een satire als Tjeempie! zit er niet meer in. Ik ben eindelijk serieus geworden.

'Anders dan Van Otterlo houd ik me geen seconde met mijn postume reputatie of met de eeuwigheid bezig; je kunt er goedbeschouwd ook geen gedachten bij hebben. Het enige wat je zeker weet is dat het proces van niet meer gelezen worden meteen na je dood begint, en dat je dus het beste maar zo lang mogelijk kunt doorleven. Ik zal niet naar mijn uitgever stappen om te vragen wanneer dat Verzameld Werk er nou eens komt, nog afgezien van het feit dat er al een Campert Compleet is.'

Ik heb niet de tijd meer om een ander leven te beginnen, een leven zonder kunst, het echte leven dat ik nooit heb aangedurfd. Kunst is één grote smoes, een kaartenhuis, zelfverlakkerij (blz. 85)

'Je kunt je natuurlijk afvragen wat er bedoeld wordt met dat echte leven. Wij wilden vroeger altijd het bestaan van een koopvaardijkapitein, die tussen laden, varen en lossen geen tijd voor onzin had. Maar zo'n verlangen doet denken aan dat van de man die zich verheugt op zijn pensioen omdat hij dan eindelijk kan gaan doen wat hij altijd al wilde gaan doen. Voor mij is de kunst nooit een leven in de marge geweest. Ik heb me nooit opgesloten gevoeld in het kaartenhuis.'

Pieter Steinz

Remco Campert: 'Het satijnen hart'. De Bezige Bij, 192 blz. 16,50 (gebonden).

    • Pieter Steinz