Ayaan werd haar eigen grote opponent

Zoals de klasgenootjes van Taïda Pasic solidair de politiek-ambtelijke moloch tegemoet traden die haar de weg versperde naar een normaal bestaan in het door haar uitverkoren thuisland, zo verschansten de leden van de Tweede Kamer zichdeze week als loyale collega’s rondom Ayaan Hirsi Ali.

Zij hadden meer effect dan de scholieren. Pasic kreeg geen duimbreedte ruimte om zelfs maar haar eindexamen, haar minimumwens, hier af te leggen. Ayaan kreeg de zekerheid dat haar, linksom of rechtsom, naturalisatie niet zal worden onthouden, mocht zij onder een gecorrigeerde identiteit daar alsnog interesse voor tonen.

Intussen blijft haar vluchtelingenstatus in de A-categorie van kracht en daarmee volgens de verantwoordelijke minister haar vermogen internationaal de vleugels uit te slaan. Voor een gezelschap dat zegt zich niet met individuele gevallen bezig te (mogen) houden, leverde de Kamer een opmerkelijke prestatie.

De politiek en de gebruikelijke deskundige waarnemers toonden zich vervolgens en ondanks alle verwarring eensgezind over wat Ayaan in Nederland heeft losgemaakt, over, zogezegd, haar politieke erfenis. Eén ding staat vast: omdat zij toch al van plan was de Tweede Kamer en Nederland in te ruilen voor een breder, neoconservatief platform in Amerika, mag hier van een erfenis worden gesproken. Temeer omdat haar optreden in Zembla door wat er op volgde als een afscheidssaluut is gaan klinken.

Wie het nog niet wist, zoals bijvoorbeeld naar eigen zeggen de verantwoordelijke minister, kreeg het in zijn oor geblazen – Ayaan was destijds onder, zo men wil, valse voorwendselen haar „land van ooit” binnengekomen. Dat dit al die veertien jaar van haar verblijf in Nederland geen beletsel was geweest voor A-status, naturalisatie en ten slotte soms oorverdovend en baanbrekend politiek activisme, verleidde haar kennelijk tot dit, achteraf gezien, roekeloze optreden.

Baanbrekend, zo klinkt het overheersende oordeel. Rondom de onderdrukking van vrouwenin de moslimgemeenschap, ende keerzijde daarvan, emancipatie, en de bijzondere vorm ervan, besnijdenis, sloeg zij piketpalen die de publieke aandacht niet langer konden ontgaan. Deze verschijnselen waren eerder niet onopgemerkt gebleven, maar Ayaan plaatste ze in al hun scherpte in een schijnsel dat niet meer viel te veronachtzamen.

Het fundament van haar activisme was intussen een niet aflatende afkeer van de islam, een afkeer die haar, paradoxalerwijs, juist nekte bij haar pogingen moslima’s te mobiliseren voor hunbevrijding uit de familie- en clanverhoudingen waarin zij gevangenzitten. Zij werd op die manier haar eigen onoverwinnelijke opponent.

Baanbrekend? Ayaan was niet de eerste die aandacht opeiste voor veronderstelde onverzoenlijkheid en niet-inpaspaarheidvan de islam in de Nederlandsesamenleving.

VVD-leider Bolkestein was haar op die weg voorgegaan. In een geruchtmakende rede had hij de bedreiging aan de orde gesteld die volgens hem uitging van deze niet door de Europese Verlichting getemde religie. Hij werd opgevolgd door Pim Fortuyn die de grens tussen waakzaamheid en regelrechte xenofobie verder deed vervagen. Zoals een militante Rotterdamse, staande voor de woning van de vermoorde Fortuyn, diens boodschap kordaat samenvatte: „Zij willen niet intrigeren.”

Wie de nu op straat waarneembare hoofddoekjes telt als graadmeter van de vaderlandse verhoudingen, moet wel tot de slotsom komen dat die Rotterdamse, zich weliswaar onbeholpen uitdrukkend, gelijk had. Dit te meer nu wij inmiddels hebben ontdekt dat het dragen van hoofddoekjes veeleer een symbool is geworden van demonstratieve islamitische emancipatie buiten dan restant van traditioneel paternalisme binnen eigen kring.

Een overgeleverde vaderlandse wijsheid wil dat je minderheden met rust moet laten en hun hun eigenaardigheden moet gunnen, zelfs wanneer daarvoor de wet enigszins moet worden opgeschud, ook wel gedogen genoemd. Deze wijsheid kwam voort uit de praktische overweging dat in een land van uitsluitend minderheden alleen zo de vrede kon worden gehandhaafd.

Dat dit gepaard ging met veel achterbaks gemopper mocht worden beschouwd als de veiligheidsklep waardoor de hete stoom van de verongelijktheid zonodig en van tijd tot tijd kon worden afgeblazen. Wie beter had opgelet wat op verjaardagen zoal werd uitgekraamd, zou minder verrast zijn geweest over de tsunami-achtige reactie toen Fortuyn eenmaal zijn „Ik heb U verstaan” had uitgesproken.

De overgeleverde wijsheid was de leid-ster niet alleen van wat Fortuyn en zijn aanhang ‘de linkse kerk’ noemden, maar van iedere weldenkende Nederlander die wilde blijven geloven in de uiteindelijke aantrekkingskracht van de goede bedoelingen waarvan dit land soms overloopt.

Maar andersom had die wijsheid al niet in de weg gestaan van verreikende maatregelen ter beheersing van overkolkende immigratie en daarmee gepaard gaande verloedering van verhoudingen in grote en middelgrote steden. De ‘linkse kerk’ was minder gesloten en geïsoleerd dan haar critici naderhand voor waar wilden hebben. De ook door Ayaan als slapjanus weggezette burgemeester van Amsterdam had in een eerdere functie in de verscherping van het vreemdelingenbeleid een ferme hand gehad.

Ayaan heeft zich nooit willen laten overtuigen door de gedachte dat door haar belachelijk gemaakte begrippen als ‘het land van ooit’ en mensen als burgemeester Cohen het verschil maakten tussen leefbaarheid en onleefbaarheidin een samenleving die bezig isop alle terreinen een nieuwe fase in haar bestaan in te gaan.

Dat is haar beperking gebleken en dit plaatste haar in een kamp waar zij gezien haar persoonlijke geschiedenis niet thuishoorde. De vergeefsheid van haar hartstochtelijke pleidooi op het laatste moment voor Taïda Pasic bij partijgenoot en verantwoordelijk minister Verdonk toont de innerlijke tegenstrijdigheid van haar politieke positiebepaling.

Was haar aanwezigheid hier baanbrekend? Tot op zekere hoogte.

Laat zij een erfenis na? Vast en zeker, hoewel betekenis en invloed daarvan omstreden zullen blijven.

J.H. Sampiemon is oud-redacteur van NRC Handelsblad.

    • J.H. Sampiemon