Allemaal tegen de muur

Christopher Sorrentino: Trance. Farrar, Straus and Giroux. 511 blz. €24.95.

In februari 1974 werd Patricia Hearst, de dochter van persmagnaat Randolph Hearst, ontvoerd door een groep die zich de Symbionese Liberation Army noemde. De SLA was een weidse naam voor een paar jongelui die in het recente verleden niet waren teruggedeinsd voor moord en ander geweld in naam van de ophanden zijnde revolutie. Over haar vrijlating zou alleen onderhandeld kunnen worden als vader Hearst voor enkele miljoenen voedsel aan de armen van Californië zou uitdelen. Dat gebeurde, maar van onderhandelingen kwam het niet. Waarom dat niet gebeurde werd enkele weken later duidelijk toen de veiligheidscamera’s van de Hibernia Bank in San Francisco bij een bankroof een meisje met een zwarte baret registreerden, een volautomatische M-1 in haar handen, die de klanten en het personeel toesnauwde: ‘I’m Tania. Up against the wall, motherfuckers’. Dit meisje was Patty Hearst, geen twijfel mogelijk.

Het werd een affaire die, naarmate de SLA terreurdaad na terreurdaad bleef plegen en ongrijpbaar bleef voor de politie, een van de meest intrigerende van de jaren zeventig was. Brainwashed was een term die te pas en te onpas werd gebruikt om Patty’s bekering te duiden, want hoe was het mogelijk dat een keurig meisje van welgestelde ouders dat wordt gekidnapt niet alleen het zogeheten Stockholm-syndroom ontwikkelt, gekenmerkt door sympathie voor haar ontvoerders, maar zich zelfs gaat opwerpen in de frontlinie van een ideologisch verdwaasde en gewelddadige groepering?

Er is veel gepubliceerd over deze episode, in diverse journalistieke boeken en in Hearst’s eigen memoires; Robert Stone maakte er een voortreffelijke documentaire over. Maar die vraag, waarom ze het deed kreeg in al die verslagen nooit een bevredigend antwoord. Misschien is een antwoord alleen binnen een roman te geven. Vandaar dat Christopher Sorrentino’s roman Trance, die over deze episode handelt, op voorhand intrigerend is. Maar het boek valt tegen omdat Torrentino aarzelt een keus te maken tussen historische nauwkeurigheid en literaire verbeelding. Hij maakt nergens duidelijk waarom sommige figuren onder hun werkelijke naam optreden, of althans onder hun werkelijke revolutionaire pseudoniem, en andere niet. Patty alias Tania heet in het boek Alice Galton, zoals ook haar ouders Galton heten; maar bijnamen van SLA-leden Cinque, Yolanda en Teko zijn rechtstreeks aan de werkelijkheid ontleend, evenals die van Myrna Opsahl, de arme oude vrouw die de pech had de opbrengst van de wekelijkse kerkcollecte naar de bank in Sacramento te brengen net op het moment dat de SLA daar een overval pleegt. ‘She was just a bourgeois pig’ verdedigt Yolanda het doodschieten van de oude vrouw; Tania voelt spijt en wroeging, maar overtuigend zijn die gevoelens niet.

Een groot aantal van de gebeurtenissen verloopt conform de historische werkelijkheid, de overvallen, de ‘onteigeningen’ uit naam van de revolutie, de trektochten van de ene schuilplaats naar de andere, de sensationele schietpartij met de politie in Compton waarbij zes SLA leden om het leven komen. Sorrentino laat het boek beginnen een dag voor die laatste gebeurtenis wanneer Tania een sportwinkel in Los Angeles onder vuur neemt, een van haar eerste ‘revolutionaire’ daden. ‘Hoe heb ik het gedaan?’, is haar eerste vraag als ze wegvluchten in hun Volkswagenbusje. Ze is dan al meer dan drie maanden een toegewijd lid van de SLA, waarmee de auteur zichzelf al op voorhand ontslagen voelt een poging te hoeven doen haar transformatie te verklaren.

Sorrentino’s boek wordt geafficheerd als een roman, maar hij maakt het zijn lezers onnodig moeilijk door zijn lijst van karakters te bevolken met personages die zowel historisch als fictief zijn, en met personages die aan alle historische dimensies beantwoorden maar toch onder een andere naam optreden. De auteur is heer en meester in elk door hem geschapen universum en knap weet hij datgene op te roepen wat we niét weten, zoals de interactie binnen het voortvluchtige groepje. Het beste is de auteur in het weergeven van de dagelijkse besognes, die vaak achteloos overgaan in het retorische geronk over de revolutionaire zaak. Bijvoorbeeld in de kleine onhebbelijkheden waar ook een onorthodox nomadisch gezelschap als dit mee te maken heeft, zoals de kleptomanie van Teko die uiteindelijk de politie op hun spoor zet en het einde inluidt.

Het is een boek stampvol personages en Sorrentino handelt af en toe raadselachtig in de hoeveelheid aandacht die ze krijgen toebedeeld. Zo had ik wel wat minder van de FBI mannen hoeven zien die het restje van de SLA op het spoor zijn, en ook wat minder van Guy Mock, de schrijver die tot de kring wordt toegelaten omdat hij een biografie van het revolutionaire leger wil schrijven (ook al gebaseerd op een historisch figuur, Jack Scott). Daarnaast is de milde, wanhopige pa Hearst – Hank Galton – mooi vormgegeven, evenals zijn vrouw, de kille bitch Lydia die heimelijk had gehoopt dat haar dochter bij de shootout in Compton zou zijn omgekomen.

Dit boek zal door veel lezers vergeleken worden met Philip Roths American Pastoral, ook een boek over verdwaasde revolutionairen in de jaren zestig en zeventig, én hun ouders. Maar die roman was pure fictie, en Roth had zijn handen vrij om te creëren wie en wat hij wilde; zijn roman was veel geslaagder, mede omdat hij bevrijd was van elke pretentie van historische accuraatheid.

Sorrentino’s boek vertroebelt alleen maar. In het kader van het debat over de wenselijkheid van meer betrokkenheid van de romanschrijver bij de actualiteit, heeft Sorrentino met deze roman een bijdrage geleverd die hoofdzakelijk argumenten aanvoert voor het kamp waar hij juist bij wil horen.

    • Jan Donkers