In Tate is modernisme gewoon mooi

László Moholy-Nagy, ‘Negative Cat’, 28.4 x 23 cm (1926) Beeld The Art Institute of Chicago The Art Institute of Chicago

Tentoonstelling: Albers and Moholy-Nagy: From the Bauhaus to the New World. T/m 4/6 in: Tate Modern, Londen. Inl. www.tate.org.uk

Wie overweegt om de Modernism-tentoonstelling in het Victoria & Albert Museum te Londen te bezoeken, doet er goed aan ook even te gaan kijken bij de Tate Modern. Daar is een expositie te zien die is gewijd aan twee pioniers van het modernisme, de Duitse Josef Albers (1888-1976) en Hongaar László Moholy-Nagy (1895-1946). De twee tentoonstellingen vormen een interessant contrast. Modernism (zie ook het Cultureel Supplement van deze krant op 28 april) draait om de politieke idealen en utopieën die deze stijl inspireerden. Zoals de vorm de functie volgt in het modernisme, zo lijken de uitgestalde objecten hier soms vooral een idee te illustreren. Leerzaam, indrukwekkend, maar de vermoeidheid slaat onherroepelijk toe bij zo’n groot onderwerp.

Albers and Moholy-Nagy. From the Bauhaus to the New World is ook groots opgezet, maar aanmerkelijk minder uitputtend. Hier draait het om de individuele kunstwerken. De strenge ideeënleer en utopische inspiratie verdwijnen naar de achtergrond voor de esthetische verrukking die je overvalt bij het zien van de eerste werken. Dat zijn de zogeheten Scherbenbilder uit 1921 van Albers, een soort grove glas-in-loodramen van glasscherven, ijzerdraad, kippengaas en koper. Albers vertelde eens hoe hij daarvoor de straten van Weimar afschuimde met knapzak en hamer, op zoek naar gebroken ruiten en flessen. Deze composities weerspiegelen niet alleen een verwoest Duitsland van na de Eerste Wereldoorlog, maar zijn meteen al spannend door hun abstractie, hun fraaie kleurgebruik en hun ongewone textuur.

In dezelfde kamer zijn de ‘fotogrammen’ te zien van Moholy-Nagy; abstracte afdrukken gemaakt door voorwerpen op lichtgevoelig papier te leggen. Zowel de fotogrammen als de Scherbenbilder wijzen op de grote interesse voor het materiaal die beide kunstenaars dreef. Ze experimenteerden met vormen en media – van perspex sculptuur tot toneeldecor, van film tot theeservies.

Eigenlijk hebben de twee kunstenaars niet zoveel méér gemeen, behalve de loop van de geschiedenis. Beiden gaven les aan het Bauhaus; beiden emigreerden in de jaren 1930 naar de Verenigde Staten. Albers vertrok naar het Black Mountain College in North Carolina, en Moholy ging naar Chicago. Daar stichtte hij het New Bauhaus en vervolgens de School of Design (het latere Institute of Design).

Allebei brachten ze op hun eigen manier de invloeden van het Duitse modernisme naar de culturele context van de Nieuwe Wereld.

De chronologisch opgezette tentoonstelling volgt de parallele carrières van beide kunstenaars. We zien Moholy’s subtiele en soms geestige experimenten met fotografie en fotocollages – „schilderen met licht”, noemde hij het zelf – naast zijn abstracte schilderijen. Moholy wordt algemeen beschouwd als het genie van het tweetal, maar misschien zijn de werken van Albers juist daardoor een des te grotere verrassing. Dankzij de workshop van het Bauhaus had Albers de beschikking over allerlei semi-industriële technieken. Zo maakte hij elegante composities in gekleurd glas met een zandstraal-techniek die doorgaans werd gebruikt voor het graveren van grafstenen. De prachtige vormen en kleurcombinaties hebben titels als Pergola, Windows en Skyscrapers A – modernistische architectuur was een belangrijke invloed.

Zowel Albers als Moholy was gefascineerd door de werking van de menselijke perceptie, en de daarachter liggende psychologie. Albers gebruikt in zijn werk tal van truukjes om bij de kijker een verhevigd bewustzijn van zijn waarneming te wekken, zoals in Equal and Unequal (1939), een schilderij met twee schijnbaar symmetrische, maar subtiel verschillende vormen. Moholy ontwierp een machine die een „bewegend schilderij” zou produceren. Deze Light Prop for an Electric Stage (1928–30), hier nagebouwd, produceert zachtjes ratelend en klikkend een lichtshow van wonderbaarlijke, sprookjesachtige schoonheid. Het effect daarvan wordt versterkt door de beroemde film die hij met behulp van de Light Prop maakte, en die in dezelfde kamer te zien is: Light Play: Black-White-Grey (1930).

Ook in hun latere werken, zoals de hangende perspex-sculpturen van Moholy of Albers’ langlopende serie schilderijen Homage to the Square, cultiveren de kunstenaars een opmerkelijke aandacht voor de verheviging van de perceptie. Gevraagd naar zijn doel, bij zijn aanstelling aan het Black Mountain College, zei Albers: „To open eyes”. Dat had een ethische component: Albers geloofde dat verhevigde waarneming zou leiden tot een verhevigd bewustzijn van de wereld en van het leven zelf. Juist dat maakt Albers and Moholy-Nagy zo’n opwindende expositie.

    • Corine Vloet