Faust ruilt licht voor kunstlicht

Voorstelling: Faust’s Licht van Guus Janssen en Friso Haverkamp, door Antje Lohse, Tido Visser e.a. Regie: Miranda Lakerveld. Kinetic painting: Norman Perryman. Gehoord: 17/5 Bethaniënklooster, Amsterdam. Herh.: 18/5, 20/5 en 21/5. Inl: www.bethanienklooster.nl.

Ruim twintig jaar na voltooiing kreeg Faust’s Licht, een kameropera van Guus Janssen en Friso Haverkamp, gisteren voor het eerst een integrale, geënsceneerde uitvoering. Waarom het daar niet eerder van kwam, laat zich niet al te moeilijk raden: er is maar één interessante rol, weinig muziek in verhouding tot de hoeveelheid tekst, en het geheel duurt ook nog eens behoorlijk lang. Een dapper team dus, dat het toch aandurft.

De opera vertelt het verhaal van Faust in de versie van de invloedrijke schrijfster Gertrude Stein (1874-1946). In haar libretto Doctor Faustus Lights the Lights (1938) heeft Faust zijn ziel verkocht aan de duivel in ruil voor de eeuwige dag in de vorm van kunstlicht. Na een schaduwgevecht met zichzelf realiseert hij zich – te laat – dat het kunstlicht hem geen enkel geluk zal brengen. Haverkamp maakte een goede Nederlandse hertaling, die Steins taalgebruik handhaaft. Haar beroemde zin ‘A rose is a rose is a rose is a rose’ komt uit een andere tekst, maar hier klinken voortdurend vergelijkbare zinnen, zoals het ‘elke dag weer een dag lang een dag’ uit de mond van de mistroostige Faust.

De muziek is vaak slechts een dunne, associërende en vervreemdende laag. Janssen pakt muzikaal alleen uit voor het jongetje, en in de instrumentale ‘koren’ en balletten van de muzikale personages ‘licht’ en ‘kunstlicht’. Dat alle muziek met slechts één sopraan en een strijkkwartet wordt gerealiseerd, draagt bij aan de economische klank.

De voorstelling als geheel drijft op de geweldig zingende en acterende Antje Lohse en het sfeervolle live-schilderwerk van Norman Perryman. Lohse mag alle lagen van Fausts onderbewuste spelen: een hond die ‘dankjewel’ zegt, een jongetje, een vrouw met de naam ‘Marguerite Ida en Helena Annabel’. Ze weet te voorkomen dat de hond een karikatuur wordt, en zorgt als jongetje voor het enige echte operamoment tijdens zijn sterfscène.

Perryman maakt met zijn ‘kinetic painting’ met vervloeiende waterverf op overheadprojectoren een intrinsiek toepasselijk decor, dat tegenstellingen als echt licht/kunstlicht verheldert, maar ook deel is van de actie: als Marguerite Ida en Helena Annabel door een adder (een groene TL-buis!) gebeten wordt, ‘verft’ hij haar witte jurk rood. Bariton Tido Visser mag als Faust geen noot zingen, maar zet hem sterk neer als gebroken, moedeloze man die vanaf het begin weet dat hij verloren is.