Een brief van achttien kantjes

Als ik een goede journalist was, zou ik vandaag zijn gekomen met een commentaar op Ayaan Hirsi Ali (of Magan?), maar voorlopig weet ik daar, eerlijk gezegd, niet veel anders over te zeggen dan: kweeniehoor, het antwoord dat Simon Carmiggelt – wél een goed journalist! – placht te geven wanneer hem zijn mening werd gevraagd over zulke kwesties. Ik weet niet wie ik bedenkelijker vind: Ayaan of Rita? Ik bepaal me dus tot een andere zaak, die in het licht van de eeuwigheid misschien wel belangrijker is.

In de International Herald Tribune stond laatst een cartoon waarop je president Bush tegen een onthutste ambtenaar ziet zeggen: „Breng mijn standpunt duidelijk over aan Iran: ik heb nog nooit een brief van achttien kantjes gelezen en zal dat ook nooit doen!” Dit was kort nadat president Ahmadinejad van Iran Bush inderdaad een lange en, volgens de eerste reacties, onsamenhangende brief had geschreven.

We kunnen enige sympathie voelen voor de fictieve president Bush (die overigens niet zo erg verschilt van de werkelijke). Wie slaakt niet een verzuchting wanneer hij zo’n brief krijgt? Het minste wat ervan gezegd kan worden is dat hij ongebruikelijk is in het diplomatieke verkeer, maar dat is nog geen reden hem te negeren. Misschien zit er wel een geheime boodschap in.

Op het eerste gezicht doet de Iraanse brief erg denken aan een soortgelijke boodschap die Nikita Chroesjstjov op het hoogtepunt van de Cubaanse crisis in 1962 aan president Kennedy stuurde. Ook die werd toen onsamenhangend genoemd, maar wél ernstig genomen, namelijk als teken dat Chroesjstjov, die hoog spel had gespeeld door raketten op Cuba te plaatsen, door de niet verwachte standvastigheid van de Amerikanen in een soort paniek was geraakt en een uitweg zocht.

Ook die boodschap besloten de Amerikanen toen te negeren, maar er was een verschil: de communicatie tussen Washington was tijdens de crisis nooit helemaal afgesloten geweest. Chroesjstjovs emotionele boodschap viel alleen maar enigszins uit de toon, en daarom besloot Washington haar te laten voor wat zij was en er niet op in te gaan. Het contact ging gewoon door. De crisis verdween. Het was het begin van een periode van ontspanning.

Nu evenwel zijn al sinds 1980 de Amerikaans-Iraanse betrekkingen verbroken. Er is niemand in de hogere echelons in Washington die Iran, zijn taal en cultuur kent en dus kan uitleggen hoe die brief gelezen moet worden: als een uitdaging of als een poging tot toenadering? Voor beide interpretaties zijn er in de brief aanwijzingen te vinden.

De uitdaging ligt in de passages waarin president Ahmadinejad vragen stelt aan president Bush als de ene gelovige tot de andere. Het zijn vragen die ook christenen aan de christen Bush zouden kunnen stellen, en misschien was tot Ahmadinejad wel het gerucht doorgedrongen dat Bush eens gezegd zou hebben: het kan me niet schelen wat iemand gelooft; als hij maar gelooft (een op z’n minst betwistbaar standpunt overigens, maar daar gaat het nu niet over).

Die vragen komen in wezen hierop neer: kan iemand die zegt een volgeling te zijn van Jezus Christus (die ook in de islam als een profeet geldt), de mensenrechten te eerbiedigen en de vrijheid als een beschavingsmodel aan te hangen, tegelijkertijd andere landen aanvallen, steden en dorpen bombarderen, gevangenen rechteloos in Guantánamo vasthouden? (Merkwaardig genoeg noemt hij Abu Ghraib niet.)

Zeker zijn die vragen ondiplomatiek – ook in die zin dat ze wel heel dicht bij het bot van iemands geloofssysteem komen. De reactie daarop kan daarom wel eens averechts uitvallen. Ongegrond zijn ze daarom intussen nog niet.

Wanneer Ahmadinejad de rol van ‘zekere westerse media’ ter sprake brengt, blijkt dat hij er geen notie van heeft hoe een democratie in elkaar steekt. Alleen al daarom zou het wenselijk zijn dat enigerlei vorm van contact hersteld zou worden. Ook zijn opmerkingen over Israël („Laten we aannemen dat er inderdaad zes miljoen joden zijn vermoord”) getuigen van een ontstellend gebrek aan kennis, dat door verdere excommunicatie niet verholpen zal worden.

Maar tegen het eind van zijn brief laat hij zijn uitdagingen uitlopen op wat lijkt op een uitnodiging tot een gesprek. Weliswaar gebruikt hij daarvoor een enigszins onlogische redenering: als we allen geloven in één God, in gerechtigheid en eerbied voor de menselijke waardigheid en we geloven dat deze beginselen vrede en vriendschap bevorderen en waarborgen, wilt u dan een uitnodiging tot terugkeer naar deze beginselen niet aanvaarden?

Zoals gezegd: een merkwaardige uitnodiging, maar toch een uitnodiging. Olifanten in de porseleinkast als Cheney en Rumsfeld zullen de president zeker raden haar in de prullenmand te deponeren. Een eerdere republikeinse president maakte in 1972 van even merkwaardige hints gebruik om tot een renversement des alliances met China te komen. Dat zou ten slotte bijdragen tot het eind van de Koude Oorlog.

Er is een ander verschil met de Cubacrisis van 1962, die Chroesjtsjov bewoog tot zijn ‘onsamenhangende’ boodschap. Chroesjtsjov schreef in een soort paniek, omdat hij de mogelijkheid van oorlog als gevolg van zijn waagstuk plotseling inzag. Van zo’n paniek geeft Ahmadinejads brief geen blijk. Hij staat dan ook sterker dan Chroesjtsjov toen. Hij heeft te maken met een Amerikaanse regering die militair en politiek vastgelopen is in het veel kleinere Irak en ook binnenlands nauwelijks meer steun krijgt – en zeker niet voor een oorlog met Iran.

Oorlog met dat land behoort dus tot de minder geloofwaardige alternatieven. Voor sancties krijgt Bush niet de nodige steun van Rusland en China, terwijl de Europeanen ook niet staan te trappelen. Kortom, aan Iraanse kant is er geen reden voor paniek, al zal ook Ahmadinejad liever geen Amerikaanse (atoom)bommen op zijn land zien regenen. Reden voor paniek is er eerder in Washington, dat geen kant meer uit kan, tenzij het Ahmadinejads brief – hoe merkwaardig die ook mag zijn – als een soort opening gebruikt. Met Libië, dat geregeerd wordt door een man die jarenlang voor gek werd verklaard – en dat, volgens onze normen, misschien ook wel is – is het ook tot een akkoord gekomen.

‘De László in Holland’

In mijn artikel van 11 april over de tentoonstelling ‘De László in Holland’ in het Amsterdamse museum Van Loon werd Tonko Greven genoemd als een van de samenstellers van het gelijknamige boek. Dat had Tonko Grever moeten zijn. Mijn excuses.

    • J.L. Heldring