De simpele wereld van Friedman

Thomas Friedman heeft onmiskenbaar een vlotte pen en blijkt daardoor keer op keer in staat met quasi-spectaculaire visies de kolommen van de internationale pers te vullen. Zo ook met zijn bijdrage in Opinie & Debat van 13 mei. Met onverholen aplomb presenteert hij de these dat er een direct en negatief verband bestaat tussen olie en democratie: hoe hoger de olieprijs hoe autocratischer het regime. Op het eerste gezicht lijkt zo’n constatering niet per se onjuist, maar bij nader inzien blijkt het allemaal minder eenduidig te zijn dan Friedman doet voorkomen. Sterker nog, zijn betoog is misleidend en laat andere, cruciale actoren en factoren buiten beeld.

De analyse dat ‘petrolistische’ landen – ik zou liever spreken van ‘renteniersstaten’ – vaak een ondemocratisch bestuur hebben, is op zich juist. De vraag is of dat komt omdat het renteniersstaten zijn of omdat er (ook) andere factoren wellicht van doorslaggevender belang zijn. Met andere woorden, de ‘echte correlatie’ die Friedman constateert, hoeft nog niet een causale relatie aan te tonen. Hij trapt daarmee in een bekende val en bevindt zich daarbij in goed gezelschap; hij baseert zich in zijn bijdrage immers op een studie van Michael L. Ross (uit 2001) die op zijn beurt weer teruggaat naar een bijdrage van de vermaarde politicoloog Seymour Martin Lipset uit 1959. Centrale, algemenere these daarin was dat ‘ontwikkeling en democratie gecorreleerd zijn’. Zeker waar het olie-exporterende landen betreft, is die gedachte tot een jaar of vijftien geleden nauwelijks uitgedaagd en in feite steeds opnieuw bevestigd, ook door Ross – en nu dus op zijn beurt door Friedman.

Maar is het wel zo simpel? Leidt olie tot minder democratie? Een reeks van recente studies toont aan dat daar op zijn minst grote vraagtekens bij gezet kunnen worden. Ik heb zelf met een aantal collega’s in 1991 een studie gedaan naar de relatie ‘olie en democratie’ in Koeweit, de renteniersstaat par excellence (gepubliceerd in Orient). Daaruit bleek niet alleen de historisch belangrijke rol van de handelsklasse als motor van politieke liberalisering, maar ook de onbedoelde ‘democratische’ gevolgen van het industrialisatie- en internationaal investeringsbeleid van de Koeweitse overheid. Later is door anderen de ‘renteniersstaat-theorie’ opnieuw onder de loep gelegd en zijn de tekortkomingen ervan feilloos aangetoond.

De politicoloog Michel Herb leverde daar met zijn All in the Family (1999) een niet te onderschatten bijdrage aan. Conclusie van die omvangrijke studie was dat niet zozeer ‘olie’ dan wel regimetype als verklarende (onafhankelijke) variabele aangewezen zou moeten worden. Naar aanleiding van Ross’ studie – waar Friedmans betoog in feite helemaal op rust – lanceerde Herb in 2005 een zo mogelijk nog frontalere aanval op de olie-leidt-tot-minder-democratie these (verschenen in Comparative Politics). Op basis van gedegen empirisch onderzoek komt Herb tot de nuchtere conclusie dat ‘olie’ inderdaad bepaalde effecten heeft op politiek, maar dat deze per land enorm kunnen verschillen en dat het motto van de ‘autoritaire petrolist’ – door Friedman aangehaald – namelijk ‘geen vertegenwoordiging zonder belasting’, naar de vuilnisbelt verwezen kan worden.

Andere factoren zijn wellicht belangrijker als we willen verklaren waarom sommige regimes autocratischer zijn dan andere: neem het hardnekkig voortbestaan van patrimoniale tradities (én de daarbij horende instituties) en, niet in de laatste plaats, de internationale omgeving. Deze factoren worden niet alleen meegenomen en gewogen in Herbs analyse, maar ook in studies van bijvoorbeeld Eva Bellin (van de Carnegie Endowment for International Peace) en mijzelf in een recente studie naar de veerkracht van het Saoedische koningshuis. In dat laatste geval blijken externe (f)actoren – de steun van de Verenigde Staten – minstens zo belangrijk als de hoge(re) olieprijs. Als dat klopt, zou het natuurlijk ook beleidsimplicaties kunnen hebben.

Friedman zou Friedman niet zijn als hij zich niet bij voorbaat probeert in te dekken tegen mogelijke kritiek: „Ik weet dat de correlaties niet waterdicht zijn”, en „Ik ben niet uit op een academische aanstelling, maar probeer alleen een ingeving te onderbouwen en een debat op gang te brengen.” Welnu, die eerste uitspraak blijkt een understatement van de eerste orde en dat debat… dat wordt al jarenlang gevoerd, Mr. Friedman!

Paul Aarts doceert internationale betrekkingen aan de Universiteit van Amsterdam en is, samen met Gerd Nonneman, auteur van ‘Saudi Arabia in the Balance. Political Economy, Society, Foreign Affairs’.

    • Paul Aarts