Vol is eigenlijk leeg

Vraag een Nederlander welk percentage van het Nederlands grondoppervlak is bebouwd, en de kans is groot dat je als antwoord veertig, vijftig of zelfs zestig procent krijgt. Toch is het slechts een procent of zestien, inclusief wegen en bedrijfsterreinen. De verbazing die de Britse journalist Simon Kuper in een interview in deze krant uitsprak over het algemeen heersende ‘Nederland-is-vol’-gevoel en het daarmee gepaard gaande anti-immigratie-beleid is dan ook begrijpelijk. Een land dat voor vierentachtig procent onbebouwd is en ook nog eens voor bijna tweederde bestaat uit landbouwgrond kan onmogelijk vol worden genoemd.

Toch is het idee dat Nederland een vol land is, even begrijpelijk. Zoals er een gevoelstemperatuur bestaat, is er ook gevoelsvolheid. Bij gevoelsvolheid is het niet de wind die de werkelijkheid anders doet ervaren, maar de al dan niet voltooide bebouwing die vrijwel overal langs de snelwegen zichtbaar is. Vooral de bedrijfsterreinen, bestaande uit door parkeerzeeën omringde lage en middelhoge dozen, zijn voor dit gevoel verantwoordelijk.

De bedrijfsgebouwen zijn zó hinderlijk aanwezig, dat de Tweede Kamer er vorig jaar een motie tegen heeft aangenomen. Maar veel zal deze niet helpen. Want de bedrijfsterreinen hebben een eigen ijzeren logica. Alle betrokkenen en gebruikers hebben er baat bij. Architecten en aannemers verdienen er goed aan, en voor gebruikers zijn ze handig, omdat bedrijventerreinen het werk naar de buitenwijken brengen. Hierdoor hoeven werknemers uit de Vinex-wijken niet meer met veel moeite stadscentra in te rijden, maar is één afslag van een snelweg voldoende om de kantoordoos met ruime parkeerplaats te bereiken.

Ook de vorm van de gebouwen is tot in detail verklaarbaar. De kantoren en bedrijfshallen zijn bijvoorbeeld niet al te groot, zodat kleine en middelgrote bedrijven, die nog altijd de ruggengraat van de Nederlandse economie vormen, ze kunnen huren en er in grote letters hun bedrijfsnaam op kunnen zetten. Hun modieuze voorkomen, met veel vooroverhangende façades en sculpturale vormen, komt voort uit de wens van mogelijke huurders om modern en eigentijds te zijn. Een bedrijf dat nu nog in een kantoor met gevels van grindtegels zit, wekt niet de indruk dat het tot ze is doorgedrongen dat het digitale tijdperk is aangebroken. Ook het verschijnsel dat er nu nog altijd nieuwe bedrijfsterreinen worden gebouwd, terwijl er overal op oudere terreinen onmetelijk veel ruimte te huur is, heeft een goede reden. De grond is in Nederland nog altijd zo goedkoop, dat het voordeliger is om nieuwe kantoren te bouwen dan oude, vermoeide grindtegelgebouwen van alle modieuze attributen te voorzien. Veel oude kantoren zijn bovendien al afgeschreven: bedrijfsgebouwen worden niet gebouwd voor de eeuwigheid, maar voor een leven van vijfentwintig jaar.

En de overheid? Die verdient ook goud geld aan de bedrijfsterreinen. Niet alleen zorgen bedrijfsterreinen voor economische bedrijvigheid, maar ook is de uitgifte van grond voor bedrijfsgebouwen een belangrijke inkomstenbron voor gemeenten. Het is dan ook niet moeilijk om te voorspellen dat er voorlopig geen einde komt aan de bouw van nieuwe bedrijfsterreinen, zeker nu de nieuwe nota ruimtelijke ordening met de korte titel ‘Ruimte’ vorig jaar is aangenomen door de Tweede Kamer. Want juist economische bedrijvigheid krijgt alle ruimte. Gemeenten krijgen daarvoor meer bevoegdheden bij de ruimtelijke ordening. En zolang gemeenten verdienen aan bedrijventerreinen, zal de gevoelsvolheid alleen nog maar toenemen. Ondanks de leegheid van Nederland.

Bernard Hulsman

    • Bernard Hulsman