Maak je geen zorgen over een hoofddoekje

Er is weinig bekend over hoe stadsbuurten in het verleden reageerden op migranten. Een nieuwe leerstoel moet daarin verandering brengen.

Willems (links) en Lucassen (Foto NRC Handelsblad, Leo van Velzen) Leiden, 16/05/06. Promovendi Wim Willems en Leo Lucassen. Foto Leo van Velzen Nrc.Hb. Velzen, Leo van

Het onderscheid dat de overheid maakt tussen allochtonen en autochtonen – bedoeld om de eerste groep te laten opgaan in de Nederlandse samenleving – draagt bij aan het buitensluiten van migranten. Dat betoogde Leo Lucassen gisteren tijdens zijn oratie bij de aanvaarding van het hoogleraarschap sociale geschiedenis aan de Universiteit Leiden. AD/Haagse Courant en de gemeente Den Haag betalen een deel van de leerstoel, die in het bijzonder gericht is op de stad Den Haag. Lucassen deelt de leerstoel met Wim Willems.

Wat willen jullie met deze leerstoel?

Willems: „Er is nauwelijks beschreven hoe wijken in de loop van de tijd veranderden. Er bestaat een vrij stereotiep beeld van de Hofstad, voor ambtenaren en renteniers. De werkelijkheid is beweeglijker dan dat.”

Lucassen: „Neem de Schilderswijk. Daarvan bestaat het typische, nostalgische beeld van een stabiele bevolking, gezellig, met een sterke sociale cohesie. Wij willen kijken of dat nostalgische beeld klopt. Waren er al niet altijd al enorme bewegingen in die wijk? Het idee is dat de autochtone Nederlanders daar zijn weggedreven door buitenlanders, maar velen gingen weg omdat de huizen in de wijk gewoon onleefbaar werden.”

Willems: „Een van onze ideeën is om in een wijk een straat te nemen en de geschiedenissen van alle bewoners te beschrijven. Het zijn de mensen zelf die de geschiedenis van hun stad schrijven.”

Jullie richten je in het bijzonder op migratie en integratie.

Lucassen: „Hoe door de samenleving in het verleden op migrantenstromen gereageerd, hoe buurten veranderd zijn, daar is eigenlijk heel weinig over bekend. Zijn de huidige migratieproblemen echt iets nieuws? Na de oorlog kreeg Den Haag 60.000 Indische migranten. Het aantal Surinamers dat na de onafhankelijkheid daar hiernaartoe kwam, overtrof die groep nog. Hoe drukten deze groepen hun stempel op de stad? Leidde dat wel of niet tot problemen?”

Wat kun je met die kennis doen?

Willems: „Mensen reageren vol verbazing op veranderingen. Dat komt door een soort maatschappelijk geheugenverlies. Nu zeggen mensen over de Surinaamse migratie: ja, maar dát waren Nederlanders. Maar toen ze kwamen, was dat echt anders. Ze werden gezien als messentrekkers, pimps. Door te laten zien hoe die beeldvorming veranderde, hoop je wat meer intelligentie in de discussie te krijgen. Maar je wil te weten komen wat de grootste problemen echt zijn.”

Lucassen: „De huidige discussie is sterk symbolisch. Het gaat over islam, hoofddoekjes, de dubbele nationaliteit. Religie heeft nu de plaats van huidskleur ingenomen. Vooral politici maken zich druk over een gebrek aan loyaliteit. Maar vroegere migranten kampten daar ook mee, het is deel van de menselijke conditie. Als je kijkt naar de geschiedenis, lijken dat bij migratie en integratie niet de echte problemen. Die liggen op de lange termijn veel meer in de sociaal-economische structuren. Ik zou me veel meer zorgen maken over de enorme hoeveelheid drop-outs dan om het hoofddoekje.”

Waarom betaalt het stadsbestuur eigenlijk mee aan de leerstoel?

Lucassen: „Ik denk dat ze heel goed beseffen dat een deel van wat de huidige migranten verweten wordt, niet door migratie komt en lang niet altijd nieuw is. Wij kunnen beleidsmakers inzichten uit de geschiedenis aanreiken. Een simpele is bijvoorbeeld: integratie kost tijd. We willen dat mensen zich met de stad verbonden voelen. Als je het overtrokken idee hebt dat zoiets in tien jaar gebeurt, dat gebeurt natuurlijk niet.”

Willems: „Het beschrijven van een gedeeld verleden is ook bindingsbeleid. Dit bestuur wil weten wat Den Haag is, wie de Hagenaars zijn en wat hen met elkaar verbindt. Het leidt misschien niet direct tot nieuw beleid, maar ik blijf vinden dat je niet zonder dat historisch perspectief kan.”

Wat is de rol van immigranten daarin?

Willems: „Migranten maken ook de stad. Niet iedere migrant zal zich Nederlander voelen, maar een Turk die twintig jaar in Den Haag woont, zal zichzelf toch wel als Hagenaar zien. Juist van deze groep, die hun koffers moesten pakken en weinig meenamen, bestaan relatief weinig bronnen. Als we hun verhalen niet zouden kennen, is dat een historisch verlies.”

Lucassen: „De vraag is hoe je de geschiedenis van migranten zichtbaar maakt. Eén methode is het kijken van fotoalbums. Dat levert interessante informatie op. Bijvoorbeeld over de verschillen tussen het officiële beeld van migranten, en hoe ze zichzelf zien. Vrouwelijke migranten uit Indië werden in media altijd geportretteerd als rillend klein vrouwtje dat in een warm kleed van de loopplank komt, met een robuuste Nederlandse die zich over haar ontfermt. In eigen fotoalbums zie je veel meer hun trots, hun weerbaarheid, hoe ze contact legden met hun nieuwe omgeving. Het geeft ook een beter inzicht in de werkelijkheid. Als we nu op straat kijken, zien we oude mannen met baarden in traditionele kleding naar de moskee lopen. In hun fotoalbums zien we hoe ze in westerse pakken aankwamen, we zien ze met een biertje in de hand.”