Herwaardering voor veelzijdige Louis Malle

De Franse regisseur Louis Malle kruipt uit de schaduw van Truffaut en Godard. Het Filmmuseum toont nu elf films van hem.

‘Zazie dans le métro’ scene uit de film Zazie dans le metro FOTO: Filmmuseum Filmmuseum

De filmgeschiedenis kan rare dingen doen. Tien jaar na zijn dood worden de films van Louis Malle meer bekeken dan die van zijn generatiegenoten François Truffaut en Jean-Luc Godard. Daar hoeven we niet alleen het Filmmuseum voor te danken, dat de afgelopen jaren nieuwe kopieën van zijn eerste films Ascenseur pour l’echafaud (1957) en Les amants (1958) in roulatie bracht. Ook internationaal gezien lijkt men Malle (1932-1995) meer en meer te herwaarderen, getuige retrospectieven en dvd-uitgaven van zijn werk. Ergens in de filmhemel zal dat de cineast beslist plezier doen, want bij leven voelde hij zich op z’n zachtst gezegd in de schaduw staan van Truffaut en Godard en hun makkers van de nouvelle vague. Het waren de naoorlogse jaren in Frankrijk en een bent van jonge filmmakers had besloten dat het maar eens afgelopen moest zijn met de brave films van hun voorgangers, met die verfoeide cinéma de pápa. Het was tijd voor een frisse wind, voor straatrumoer, voor experiment en voor het plezier wat zij beleefden als zij naar de films van buitenlandse oeuvrebouwers als Alfred Hitchcock, Orson Welles en John Ford keken. Belangrijkste voorwaarde om volgens de eisen van destijds van zo’n oeuvre te mogen spreken: de herkenbare hand van de maker. Het begrip auteurscinema was geboren.

Louis Malle was wel en niet een representant van die stroming. De in zwart-wit gedraaide jazzy thriller (met de wereldberoemde soundtrack van Miles Davis) Ascenseur pour l’echafaud was misschien wel de eerste nouvelle vague-film. Maar de nouvelle vague stond in 1957 nog maar net op uitbarsten. Malle was simpelweg te vroeg met zijn existentialistische dwaaltocht door Parijs, waarin een slaapwandelende Jeanne Moreau op haar minnaar wacht, en op antwoord op de vraag of hij erin geslaagd is haar echtgenoot te vermoorden. Maar bepalender voor Malle’s miskenning (in ieder geval voor zijn eigen gevoel, ondanks Oscar-nominaties en prijzen) was het feit dat hij niet genoeg auteur was. De filmografie die hij opbouwde was simpelweg te divers van toon en thematiek.

Er is niet één Louis Malle, zoals ook blijkt uit de elf films die het Filmmuseum nu in retrospectief vertoont. Aanleiding daarvoor zijn de nieuwe kopieën van Zazie dans le métro uit 1959 (waarin Malle alweer afrekende met de nouvelle vague) en Lacombe, Lucien (1974), Malles controversiële kijk op Frankrijks oorlogsverleden. Er is Malle de nauwkeurige observator, die zijn oog laat vallen op de trivialiteiten van alledag. Er is Malle de humoristische chroniqueur, die het banale bestaan uittilt boven z'n eigen zwaarte. Er is Malle de politieke commentator, die in semi-autobiografische films steeds weer de blik richt op die cesuur die door de Europese geschiedenis loopt: de Tweede Wereldoorlog. In Lacombe, Lucien verdient een collaborateur zijn interesse. Althans voor zover het niet de morele kant van de zaak betreft, maar de kaal-psychologische. Wie langer naar de films van Louis Malle kijkt ziet in die standvastige, onsentimentele blik een bindend kenmerk. Pas in de spiegel van de film kan de naakte werkelijkheid bekeken worden.

De films van Louis Malle. T/m 14 juni, Filmmuseum, Amsterdam. Zazie dans le métro ook in Filmhuis Den Haag en Lantaren/Venster, Rotterdam. Inl. www.filmmuseum.nl.