Herinnering aan Liesje

H. van Duin-Bikker (C. a/d IJssel, 20 nov. 1935) woont in Bussum. Nederland, Bussum, 09-05-2006 Henny van Duin. PHOTO AND COPYRIGHT ROGER CREMERS Cremers, Roger

Henny van Duin is 70 en ze heeft heel wat mensen zien sterven. „Dat huis in Utrecht”, zegt ze, „dat was christelijk. Gelovige mensen, maar de meesten waren bang om dood te gaan. Dat heeft me wel verbaasd, dat ze zo weinig vertrouwen hadden.”

Maar meestal vertrekt men vredig. „Er gaat”, zegt ze, „iets over dat gezicht, je ziet: daar gaat ze, en dat heeft niets angstaanjagends.”

Nee, mensen zien sterven is zo erg niet. Soms is het veel moeilijker om iemand níét te zien sterven.

„Nu hoor ik een merel fluiten”, zegt ze. „In deze tijd van het jaar moet ik vaak aan een mevrouw denken... ze was muzieklerares geweest. Ze at niet meer, ze dronk niet meer en toch ging ze niet dood. Toen op een prachtige morgen... de tuindeuren wijd open, een stralend blauwe lucht, het was doodstil om ons heen... ik zeg: mensje, ga nou maar, het is zo’n mooi moment.”

„En?”

„Toen ging ze nóg niet.”

Ze deed haar opleiding in het Diaconessenhuis in Rotterdam. Ze trouwde met Joop, ze kregen een zoon en een dochter, ze woonden in Maassluis en ze wilden daar weg wegens de luchtverontreiniging. Toen ze eenmaal een huis betrokken hadden in Bussum, ging ze weer werken, ook met het oog op de hypotheek. Eerst in een tehuis in Utrecht, later in Bussum zelf, eerst in de nacht, later dagdiensten. De dag had het voordeel dat je mensen werkelijk leerde kennen. Verschillende van hen staan in haar geheugen gegrift.

Daar is de boze man die haar in het halfduister opwachtte met zijn wandelstok – kennelijk zonder ernstige gevolgen.

Daar is de vrouw die ’s nachts haar pruik afdeed. „Daar schrok ik van, maar later dacht ik: wat een mooi schedeltje heb je.”

Daar is de vrouw, heel vriendelijk eigenlijk, die onder het eten zo lelijk tegen je kon uitvallen. „Ik denk dat ze zich dan verkeerd begrepen voelde.”

En daar is ook de vrouw die zo graag haar vóórnaam nog eens wilde horen. „Niemand noemt me meer zoals ik heet, zei ze, doe jij het toch. Maar dat kan niet, zei ik, dat hoort niet. Maar weet u wat – vanavond, als iedereen slaapt, zal ik u bij uw voornaam noemen.”

„Hoe heette ze?”

„Liesje. Dan ging ik haar instoppen en dan zei ik Liesje tegen haar.”

Liesje was een statige verschijning met een koloniale achtergrond. Ze was met de handschoen getrouwd en naar Indië gegaan. Vermoedelijk had ze een luxeleven geleid. Nu hing er een sfeer van grote eenzaamheid om haar heen.

„In 1993”, zegt Henny, „werd het tehuis gesloten. Toen heb ik haar spullen ingepakt. Toen kwam er een heel mooi avondtasje tevoorschijn en daar heb ik lang naar staan kijken – wat ze met dat tasje wel niet allemaal zou hebben meegemaakt.”

Voor Liesje was een plek gevonden in Haarlem, een zolderkamer met vijf bedden. Ze had nog een vloerkleed van zichzelf, een fraai tapijt waaraan ze erg gehecht was, en dat kon daar niet eens voor haar eigen bed liggen.

„We hebben haar weggebracht”, zegt Henny, „en toen we weer in de auto stapten, mijn collega en ik, hebben we eerst een tijdje zitten huilen. Zo’n leven, en dat dat dan eindigt onder de hanenbalken... zes weken daarna was ze dood.”

„Liesje was niet dement?” vraag ik.

„Ze was vergeetachtig.”

„Alzheimer”, zeg ik, „is geloof ik wel hét schrikbeeld voor 70-jarigen.”

„Ja?”

„Ze vergeten de sleutels of ze kunnen niet op een naam komen en ze vragen zich af: is het nou begonnen?”

„Parkinson lijkt me erger”, zegt zij. „Met Alzheimerpatiënten hebben we altijd nog veel kunnen lachen. Ik heb veel vrolijkheid van ze ervaren, én ontroering, én wijsheid.” Onvergetelijke kerstvieringen, heerlijke zanguurtjes.

„Willy Derby”, zegt ze, „Kees Pruis, Lou Bandy, Max van Praag, Eddy Christiani – al die liedjes die ik nog van mijn vader en moeder heb geleerd. Ze kennen die wijsjes allemaal, en de woorden ook, de woorden komen vanzelf terug.”

„En straks kent niemand ze meer”, zeg ik. „Straks zitten we met een hele generatie demente bejaarden die nooit heeft leren zingen.”

„Dan missen ze wat”, zegt zij.

„Je hebt mensen”, zeg ik, „die zeggen: als ik mijn kinderen niet meer herken, moeten ze me maar een spuitje geven; dan heb ik geen menswaardig bestaan meer.”

„Maar is dat dan lijden?” werpt ze tegen. „Ja, dat is lijden voor de familie, voor de kinderen, maar voor de betrokkene zelf? Die heeft er toch geen weet van?”

Het enige wat zij haar kinderen heeft gevraagd: dat ze haar, mocht ze in handen van Alzheimer vallen, geen carnaval zullen laten vieren. Dement in een rolstoel met een hoedje en een toeter – dát lijkt haar te erg.

Nee, haar hart. Daar zit ze wel eens over in. Daar was een kalkachtige verdikking op de aortaklep en dat is nog een hele tijd goed gegaan, maar op den duur kon ze eigenlijk niks meer, en twee jaar terug is die klep vervangen. Nu loopt ze weer, nu fietst ze weer, nu zingt ze weer in een vrouwenkoor, nu zit ze weer opgewekt te praten over haar ervaringen in de zorg, maar er zijn hartritmestoornissen, vooral als ze naar bed gaat. En dan zegt de specialist: dat is gewoon, dat hoort erbij, maar jij hebt dat hart dat even stilstaat, jij denkt: o jee, daar ga ik.

„Ik denk er vaak aan”, zegt ze. „Ik weet niet wat mij te wachten staat bij de dood. Ik weet het echt niet. Ik geloof niet in groene weiden waar iedereen op je staat te wachten.”

Over groene weiden gesproken: haar vader was tuindersknecht, een bedreven tuinman. Die had alles precies waar hij het hebben wou. Maar zelf gebruikt ze de schoffel met een zekere schroom. Een plantje dat staat waar het niet bedoeld was – ach dingetje, denkt ze dan, jij hebt toch ook je best gedaan.

‘Wat ouder’ is een serie gesprekken met mensen die zeventig zijn.

    • Koos van Zomeren