Gio, de stille kracht

Giovanni van Bronckhorst staat vanavond in de basis van Barcelona in de CL-finale.

Voor de ‘waterdrager van de sterren’ kan het de bekroning worden van een ‘droom’.

Van Bronckhorst (links) met Geovanni van Benfica tijdens de halve finale van de Champions League. Foto AFP Barcelona's Giovanni Van Bronckhorst (L) vies with Benfica's Geovanni during their Champions League quarter-final second leg football match at the Nou Camp in Barcelona, 05 April 2006. AFP PHOTO/CESAR RANGEL AFP

Hij heeft al heel wat kwalificaties moeten aanhoren. Waterdrager van de sterren. Een beetje saaie jongen. Nuttige kracht. Linksback. Verwacht van de Rotterdammer geen provocerende uitspraken of buitensporige gedragingen in het uitgaansleven van Londen of Barcelona.

Noem hem de stille kracht: Giovanni van Bronckhorst, de bescheiden, introverte jongen uit Krimpen aan den IJssel, opgevoed in de Indisch-Molukse traditie waarin beleefdheid en respect de hoogste deugden zijn. „Ik ben niet iemand die op de voorgrond treedt”, zei hij meer dan eens over zichzelf. Ook niet het prototype van de profvoetballer: hij kijkt liever naar Discovery Channel of NBA-basketbal dan naar een voetbalwedstrijd met Inter Milaan.

Ogenschijnlijk werkte de 31-jarige Van Bronckhorst zich in alle stilte op naar de wereldtop: als jochie begonnen bij de Rotterdamse voetbalclub Linker Maasoever (LMO) – vanavond staat hij ‘plotseling’ aan de zijde van Ronaldinho, Eto’o, Deco én zijn oude Feyenoord-maatje Henrik Larsson in de schijnwerpers van het Stade de France in de finale van de Champions League. Tegenover zijn vorige werkgever nog wel, Arsenal. „Mijn carrière is een droom”, liet de linksback van Barcelona en Oranje onlangs weten.

Elke stap die Giovanni van Bronckhorst in zijn leven nam, bracht hem een stukje verder. Zoals hij zich als zevenjarige meldde bij de poorten van de Kuip, op een open dag waar talenten hun kunsten mochten vertonen. Bij Feyenoord kenden de scouts het begaafde spelertje al lang en hij mocht blijven. Hij werkte zich op in een talentvolle generatie, met spelers als Bobby Petta, dat andere grote Molukse talent, en George Boateng. Voor de aanhang was hij ‘eindelijk weer eens iemand van Varkenoord’, waar Feyenoords jeugd wordt opgeleid en waar jarenlang te weinig spelers van niveau vandaan kwamen.

Vanaf de tribunes keek hij op zondagen naar één van zijn idolen, Simon Tahamata. Ondanks al zijn jaren op Varkenoord ontwikkelde hij zich niet als een stereotype Feyenoorder, een harde werker die leunt op zijn lichaamsbouw, maar als een speler die het moest hebben van zijn traptechniek en zijn tactisch inzicht. Hoewel zijn talent onomstreden was, moest hij vier jaar wachten op een basisplaats. Willem van Hanegem koos vier jaar lang voor Rob Witschge. In 1994 werd hij op eigen verzoek enkele maanden uitgeleend aan RKC omdat hij wilde spelen. Dat lukte: hij maakte er zelfs zijn eredivisiedebuut.

Van Bronckhorst keek in die beginjaren met jaloezie naar zijn leeftijdgenoten bij Ajax, zoals Clarence Seedorf, Edgar Davids en Patrick Kluivert, die wel een basisplaats hadden en zelfs de finale van de Champions League speelden. „Zij maakten veel meer mee dan ik”, zei Van Bronckhorst destijds in NRC Handelsblad. „Zij speelden in de Europa Cup en ik in het tweede van Feyenoord.”

Maar toen hij eenmaal vaste keus was geworden als linkshalf, ging het sneller. Guus Hiddink selecteerde hem in 1996 voor de interland tegen Brazilië, maar in Oranje had hij te maken met concurrenten als Arthur Numan, Winston Bogarde, Edgar Davids en Phillip Cocu. In 1998 kwam de langverwachte transfer naar het buitenland: Glasgow Rangers, met Dick Advocaat, had 18 miljoen gulden (8,5 miljoen euro) voor hem over. Van Bronckhorst schrok er zelf van. „Voor 18 miljoen kun je zoveel zinvollere dingen doen”, vond hij, en hij meende het. In zijn hart bleef hij Feyenoorder, zei hij in de jaren die volgden, maar de club kwam volgens hem eenvoudigweg klasse tekort om zich te kunnen meten met Ajax en PSV, laat staan de echte topclubs in de Champions League. Overigens werd Feyenoord het seizoen na zijn vertrek kampioen van Nederland. „Dat was pijnlijk”, gaf hij toe.

Zijn trainer bij Feyenoord, Leo Beenhakker, vond Schotland het verkeerde land voor hem. „Rangers is niet mijn top”, gaf hij zelf ook toe in zijn eerste jaar. Maar hij merkte in Schotland ook dat hij er met zijn fluwelen balbehandeling alleen niet kwam. Op de koude Schotse velden leerde hij knokken om overeind te blijven. En hij won er de prijzen die hij in Rotterdam zo had gemist: een ‘double’ en zelfs een ‘treble’ – de titel en twee bekers in één jaar.

In 2001 was zijn waarde gestegen tot 30 miljoen gulden (14 miljoen euro), maar bij het Arsenal van Arsène Wenger keek hij vaak vanaf de bank naar de verrichtingen van Dennis Bergkamp en Thierry Henry, zijn tegenstanders van vanavond. Hij kwam er ook achter dat hij als linksback meer kans maakte op een basisplaats dan als linkshalf. Na twee seizoenen bij Arsenal, waarin hij langdurig geblesseerd raakte aan zijn knie en in de vergetelheid dreigde te raken, kwamen de twijfels. Van Bronckhorst: „Ik moest uitzien naar een andere club. Maar toen toonde Barcelona ineens belangstelling. Het bleek de ommekeer in mijn loopbaan te worden.”

‘Gio’, omdat de Spanjaarden zijn naam te vaak verkeerd spellen en uitspreken, werd als linksback een succes in Barcelona. Hij won de concurrentiestrijd van Silvinho en veroverde een basisplaats in het sterrenteam van Frank Rijkaard. En Van Bronckhorst bleef overeind tijdens de grote Nederlandse opruiming binnen de club: terwijl Kluivert, Overmars, Reiziger, Frank de Boer en Cocu het veld ruimden in Nou Camp, kon Van Bronckhorst afgelopen zomer bijtekenen.

De international kwam uiteindelijk precies op het goede moment: na jaren van droogte vond Barcelona onder Rijkaard opnieuw de weg naar de top. Vanavond is hij de speler die de meeste speelminuten in de Champions League kreeg bij Barcelona. En Van Bronckhorst zou in Parijs heel graag winnen van de Franse Arsenal-trainer die hem in 2003 niet meer nodig had.

    • Rob Schoof