Een zwerftocht zonder kompas

Voorzichtig als een praktisch ingenieur zoekt de Duitse bondskanselier Merkel een uitweg uit de Europese impasse. Niet meer dat stuntwerk van haar voorganger, niet meer dat demonstratieve dedain voor regels en afspraken van Brussel. Het stabiliteitspact is belangrijk en daar gaan we ons aan houden, zei ze in haar eerste grote Europa-toespraak in de Bondsdag vorige week. En ook: „We hebben de (Europese) Grondwet nodig.” Veertien landen hebben die Grondwet inmiddels geratificeerd en als het aan Duitsland – en aan Finland, Spanje, Italië, Hongarije en België – ligt, gaat men het liefst stug door met invoering van de Grondwet.

Zo zal het waarschijnlijk niet gaan. Merkel weet dat. In de eerste helft van volgend jaar is zij voorzitter van de EU en pas na de Franse presidentsverkiezingen kan zij toeslaan. Van kandidaat Sarkozy is bekend dat hij grote delen van het verdrag wil redden. Het motief is eenvoudig: de Europese Grondwet mag dan in praktische zin niet zo vreselijk schokkend en belangrijk zijn, als symbool inmiddels des te meer. Succesvolle herlancering op de één of andere manier betekent herlancering van Europa en daar hoort Frankrijk bij te zijn.

Wat kan Nederland doen?

Iemand in de buurt van de Duitse bondskanselier stelt wat gelaten vast dat je aan Nederland eigenlijk niets meer hebt en dat de Duitsers onder Schröder het er misschien ook wel naar hebben gemaakt. En de Herald Tribune zei het zo: „Nederland, ooit een supporter van Europese integratie en uitbreiding, is nu in de greep van twijfel over zijn eigen immigrantenbevolking en niet in de positie om Merkel te helpen.”

Even terug in Den Haag merk je twaalf maanden na dato ineens pas goed wat een reusachtige kaalslag dat Europese referendum in ons land heeft aangericht. Het blijkt meer dan een incident, eerder nog een keerpunt als het gaat om gezagsverhoudingen, om bestuurlijke soevereiniteit en autoriteit. Geloofwaardigheid lijkt niet te zijn herwonnen, hooguit ingeruild voor lichtzinnigheid.

Afgesproken was destijds om nu eerst maar eens een jaartje beter naar het volk te luisteren. Eerste sneuvelde een brede maatschappelijke discussie. We hebben nu nog een serie goedbedoelde advertenties gekregen met oproepen om toch vooral met denkbeelden en kritiek over Europa op de proppen te komen en het heeft allemaal tot niets geleid. De politieke leiders waren al bang van het volk, ze zijn het nu ook van Europa. Een jaar is verloren gegaan.

Het heeft zich ook inderdaad gewroken dat het Nederlandse kabinet de reikwijdte van de gebeurtenis heeft willen verdonkeremanen. En zoals in Frankrijk na het referendum met Chirac, is het daarna ook in Den Haag niet meer goed gekomen. De Grondwet is dood, zegt het Nederlandse kabinet, maar hoe geloofwaardig is die stelligheid uit de mond van bestuurders die er altijd in hadden geloofd en dat in binnen- en buitenland ook altijd hadden beweerd?

Natuurlijk was er veel voorafgegaan aan deze Nederlandse richtingloosheid. De politieke klasse is in feite diep verdeeld over de plaats van Nederland. Europa als ideaal is allang in diskrediet geraakt, de idealisten als dromers-van-gisteren zijn op een zijspoor geduwd en zelfs die paar Kamerleden met kennis van Europese zaken en contacten moeten een toontje lager zingen. Het nut van de natie viert allang een comeback, zonder dat het trouwens tot iets anders leidt dan tot de mantra van die constatering.

De aanvaarding van de uitslag van het referendum – dat hoefde niet, want het was een adviserend referendum – betekende voor een belangrijk deel van de politieke elite simpelweg een verraad aan alles waar men vele jaren voor had gestaan. Waar stond men eigenlijk nog voor, was er nog zoiets als een harde kern van overtuigingen? Het kabinet veranderde in een Mann ohne Eigenschaften, meebewegend op de vermoede sentimenten van het publiek van dat moment. Men toog naar Brussel, men wilde zijn geld terug. En de Turkse toetreding, eerst nog sluit- en pronkstuk van Nederlands voorzitterschap, hoefde ineens weer niet zo nodig.

Zomaar een voorbeeld: minister Zalm van Financiën riep mee in het koor dat een lagere rente van de Europese Centrale Bank wil en speelde niet alleen met vuur als het gaat om zo’n nog vrij broos instituut als de Europese Centrale Bank, maar hij lapte daarmee ook de regels aan zijn laars. (art. 108 van het ECB-verdrag: ,,De regeringen van de lidstaten verplichten zich ertoe […] niet te trachten de leden van de besluitvormende organen van de ECB [...] bij de uitvoering van hun taken te beïnvloeden”). Niemand in de Tweede Kamer die er wat van zei, want, ach, wat maakt het uit?

Een paar weken geleden werd het minister Bot (Buitenlandse Zaken) in de Kamer expliciet verboden – iets heel anders – om een onderzoek naar een kern-Europa te doen. Nog afgezien van het feit dat een denkverbod voor ambtenaren van een afdeling Strategie intellectueel onnavolgbaar is, was vervolgens iedereen weer gepikeerd toen de inkomende Italiaanse premier Romani Prodi, bij vergissing, zei dat Nederland niet in een kern-Europa thuishoort.

Het Europees Parlement heeft trouwens ook aan de Europese Commissie gevraagd om voor het einde van het jaar eens „alternatieven voor volledig lidmaatschap” aan te dragen en zelfs de eurocommissaris belast met uitbreiding vindt het idee van een groot Europa met een kern „wel sympathiek”. In Brusselse denktanks worden eerste ideeën uitgewerkt over een EU met ‘pioniergroepen’, bijvoorbeeld een kleinere club die belastingen harmoniseert, of vrijheid voor de service-industrie regelt, of een defensie-unie probeert. Het lijkt allemaal aan Nederland voorbij te moeten gaan. Maar, ach, wat maakt het uit?

Stap voor stap ontaardt de bekende „pas op de plaats” van premier Balkenende een dag na het referendum in een zwerftocht zonder kompas, begeleid door ferme teksten, lichtzinnigheid en verlies aan gezag.

    • Ben Knapen