Een karikatuur van daadkracht

Rechtlijnigheid kenmerkt het ministerschap van Rita Verdonk. Maar zorgvuldigheid en de menselijke maat leggen het af tegen haar daadkracht.

Een bikkelharde politica die definitief wil afrekenen met de gedoogcultuur in Nederland. Zo wordt minister Rita Verdonk (Vreemdelingenzaken en Integratie, VVD) vaak getypeerd. Tot diep in de nacht kreeg ze voor die ‘Rita-buigt-niet-houding’ voor de vierde keer op een rij een verbijsterde Tweede Kamer over zich heen.

De aanleidingen in die vier kwesties (Ayaan Hirsi Ali, de Schipholbrand, de Congo-kwestie en de uitzetting van Syrische asielzoekers) waren verschillend, haar optreden gelijk. Verdonk koos voor een onbuigzame lijn: de wet is de wet en die voer ik zonder aanzien des persoons uit.

Verbaal is ze sterk, maar politiek en bestuurlijk zwak, concludeerde de Tweede Kamer tegen drie uur vannacht, na afloop van het spoeddebat over de naturalisatie van Ayaan Hirsi Ali, opnieuw. „We moeten geen karikatuur van daadkracht maken”, aldus CDA-fractieleider Verhagen. Dat werd Verdonk ook in de andere kwesties in de Kamer verweten. En dat is ook wat Verdonk opbreekt in haar asiel- en integratiebeleid. Bij een effectief asielbeleid hoort een effectief uitzetbeleid, erkende de Raad van Europa eind vorig jaar in een kritisch rapport over Nederland. „Maar de realiteit is dat rechten van vluchtelingen in Nederland in veel gevallen ondergeschikt worden gemaakt aan de wens van Verdonk”, aldus rapporteur Zapfl-Helbling van de Raad van Europa, „om zoveel mogelijke uitgeprocedeerde asielzoekers uit te zetten”.

Op het terrein van integratie kondigde Verdonk grote beleidswijzigingen aan, zoals een nieuw inburgeringstelsel. Maar ze merkt in de praktijk dat dat stelsel zowel juridisch als technisch moeilijk uitvoerbaar is. Het wetsvoorstel is bij de Kamer ingediend, maar de wet is nog steeds onvoldragen, concludeerde eerder deze maand een commissie die in opdracht van de Kamer een analyse maakte van de uitvoeringsrisico’s. En bovendien wordt nu in de praktijk getoetst of een computertest voor nieuwe migranten in hun landen van herkomst wel werkt. Maar de uitslag van dat examen is wel bepalend of ze naar Nederland mogen komen.

Ook bij de Schipholbrand in oktober vorig jaar, waarbij elf illegalen omkwamen, straalde Verdonk daadkracht en rechtlijnigheid uit. Ze zei op de dag van de brand al dat de afhandeling „adequaat” was geweest. En na drie weken wilde ze de uitzetting van de overlevenden „weer ter hand nemen”. Het ontbreekt Verdonk aan compassie, stamelde een vertwijfelde oppositie destijds.

Dat was ook geval in de Congo-zaak. Nederland had asielgerelateerde gegevens van uitgeprocedeerde Congolese vluchtelingen aan de autoriteiten in hun land van herkomst verstrekt. Tot kort voor het debat hield de minister vol dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) „nimmer die informatie” had verstrekt. De commissie-Havermans oordeelde anders. Verdonk maakte een opmerkelijke mea culpa. Niet zozeer om wat er was gebeurd, maar omdat ze de Kamer „onvolledig en feitelijk onjuist had geïnformeerd”. Ook in de zaak van de Syrische asielzoekers werd zorgvuldigheid opgeofferd aan daadkracht. Verdonk liet toe dat omstreden Syrische functionarissen eigen onderdanen op Nederlandse bodem, in kantoren van haar IND, uithoorden over onder meer hun vluchtrelaas. Verdonk hield lang vol dat dit niet was gebeurd, maar moest daar uiteindelijk op terugkomen.

De rechtlijnige visie van het voormalige directielid van de inlichtingendienst BVD was de reden waarom ze in 2003 via het zogeheten liberale vrouwennetwerk bij de kabinetsformateur terechtkwam. Deze doelgerichte en stevige vrouw was de aangewezen persoon voor wat in Den Haag als „een hoofdpijnportefeuille” wordt aangemerkt: Integratie en Vreemdelingenzaken.

Menigeen, ook in de kring van de oppositie, waardeert de duidelijkheid waarmee Verdonk haar strengere asiel- en integratiebeleid de afgelopen drie jaar voor het voetlicht heeft gebracht. Maar tegelijkertijd leidt dat wel tot een simplistische voorstelling van de asiel- en integratieproblematiek, is de klacht. Ook Verdonk slaagt er niet in om alle uitgeprocedeerde asielzoekers het land uit te krijgen; 18.000 van de 26.000 dossiers van vluchtelingen die onder de oude Vreemdelingenwet (van voor april 2001) vallen, zijn afgewerkt. Circa 40 procent daarvan heeft alsnog een verblijfsvergunning gekregen. Daaronder zo’n 750 schrijnende gevallen, vreemdelingen die persoonlijk van de minister alsnog een status hebben gekregen. Dat is het hoogste aantal dat ooit door en minister is toegekend. Ze is dus niet bikkelhard, beklemtoont ze zelf geregeld. Maar dat is ze wel in kwesties die in de openbaarheid komen: de voetballer Kalou die niet versneld Nederlander mocht worden en de Kosovaarse scholiere Taida Pasic die deze maand in Nederland haar VWO-examen had willen doen. En sinds dit weekeinde: de zaak-Ayaan Hirsi Ali.

Juist dan lijkt Verdonk zich gedwongen te voelen om haar imago van ‘IJzeren Rita’ gestand te doen. De Kamer stelde vannacht een grens aan haar daadkracht: die moet wel proportioneel blijven. De menselijke maat moet terugkeren in het asiel- en integratiebeleid.