De lange weg van een examenvraag

Tientallen deskundigen en commissies bemoeien zich in een lang traject met de inhoud van eindexamens. „Elk vak heeft zijn eigen folklore.”

Anna Rodionova doet als enige eindexamen Russisch voor het VWO van het Berlage Lyceum in Amsterdam. Foto NRC Handelsblad, Maurice Boyer Anna Rodionova doet als enige eindexamen Russisch voor het VWO van het Berlage Lyceum in Amsterdam Foto NRC H'Blad, Maurice Boyer 060517 Boyer, Maurice

Goed nieuws voor vwo-scholieren die niet houden van grafen en matrices, basisonderdelen van het vak wiskunde A1: ze krijgen dit jaar geen vragen over verbindingen tussen twee punten en roosters met getallen op het eindexamen.

De beslissing om een deel van de lesstof niet in het eindexamen op te nemen, wordt niet zomaar genomen. Er zijn tientallen commissies, subcommissies en werkgroepen mee bezig.

In de ideale situatie, zegt voorzitter Marian Kollenveld van de Nederlandse Vereniging van Wiskundeleraren, zouden alle onderdelen van het vak wiskunde A1 ook in het eindexamen voorkomen. Zelf zat ze, samen met andere leraren, lerarenopleiders en hoogleraren, in de commissie die het wiskundeprogramma voorstelde bij de invoering van de tweede fase, in 1998.

Maar al snel volgden klachten: het was te zwaar. Toenmalig staatssecretaris Adelmund van Onderwijs (PvdA) besloot het programma lichter te maken: op het examen wordt niet naar alle onderdelen gevraagd.

De grafen en matrices zijn sindsdien een „draaideuronderwerp”, zegt Kollenveld. Soms zitten ze erbij, soms niet. Nu eens wordt besloten dat er alleen op het centraal schriftelijk examen naar wordt gevraagd, dan weer alleen op de schoolexamens.

Zo gaat het dus met de vaststelling van eindexamenstof bij alle vakken. De samenstelling daarvan begint en eindigt bij de minister van Onderwijs. Helemaal in het begin van het traject stelt het ministerie vast over welke „domeinen” – lesstofonderdelen – het examen moet gaan. Bovendien heeft het ministerie de eindverantwoordelijkheid voor het hele traject.

Voor het vaststellen van de domeinen vraagt het ministerie advies aan de lerarenverenigingen. Nadat de domeinen zijn vastgesteld, vertaalt de Centrale Examencommissie Vaststelling Opgaven (CEVO) het examenprogramma in een opdracht aan examenmaker Cito. Die opdracht gaat onder meer over het juiste niveau en de gewenste lengte van de examens. CEVO-secretaris A. Algra: „De opzet van een examen moet vertrouwd overkomen. Een examen Engels moet niet heel anders van opzet zijn dan een examen Frans.”

Op basis van de CEVO-opdracht gaat Cito aan de slag met het verzinnen van concrete opgaven. Als het examen is opgesteld, bekijkt de vaksectie van de CEVO het voor de laatste keer. Als het examen klopt met de opdracht, keurt de CEVO het goed.

Maar de procedure, van het vaststellen van de examenstof tot het eindresultaat met concrete examenopgaven, is niet voor ieder vak hetzelfde. „Elk vak heeft zijn eigen folklore”, zegt Kollenveld.

Vooral het vak geschiedenis onttrekt zich aan de normale gang van zaken. Dat komt door de manier waarop het geschiedenisexamen is ingericht, met de overhoring van twee roulerende thema’s. Dit jaar zijn dat „dekolonisatie en Koude Oorlog in Vietnam” en „volksopvoeding via het onderwijs in Nederland 1780-1920”.

Deze keuze komt voort uit zes door het ministerie vastgestelde domeinen. Voor dit jaar was besloten dat de examenthema’s moesten passen binnen de subdomeinen „internationale betrekkingen en oorlogvoering” en „primaire samenlevingsverbanden en opvoeding”.

Een stofomschrijvingscommissie, bestaande uit een wetenschapper en een paar leraren, bedenkt een thema dat past binnen deze subdomeinen. Daarbij spreekt de vereniging van geschiedenisdocenten een voorkeur uit voor een nadere definiëring van een onderwerp. De twee geschiedenisthema’s gaan altijd twee jaar mee: Vietnam was vorig jaar ook al een van de thema’s; de volksopvoeding zal dat volgend jaar nog zijn.

Een omstreden concept. „Het is op dit moment niet duidelijk waarom leerlingen juist iets van deze twee onderwerpen moeten weten”, zegt Arie Wilschut, werkzaam bij het Instituut voor Geschiedenisdidactiek. „Ook dit jaar vind ik de twee thema’s te willekeurig.”

Wilschut was lid van de commissie-De Rooy, die met een voorstel kwam voor een andere invulling van het geschiedenisonderwijs. Op dit moment leidt hij een proef op basis van de voorstellen van deze commissie: de havo-leerlingen van acht scholen hoeven zich niet te verdiepen in Vietnam en de Nederlandse onderwijswetten, maar worden in plaats daarvan geacht iets te weten over de hele linie van de wereldgeschiedenis. Komend najaar wordt besloten of de voorstellen van de commissie-De Rooy algemeen worden ingevoerd.

    • Derk Walters