Plaatjes sparen

Op 11 juni vind in Café de Morriaan te Roosendaal de internationale Panini-voetbalplaatjesruildag plaats, las ik in de Volkskrant van 8 mei. De beurs wordt georganiseerd door de Huismannenclub. Het zal er wel druk worden want volgens medeorganisator Marijn Staal spaart ‘iedereen’ de plaatjes. „Van jong tot oud, autochtoon tot allochtoon, van scheidsrechter Mario van der Ende tot voetbalkenner Hugo Borst.” Fascinerend. Ik heb altijd in de veronderstelling verkeerd dat de verzameldrift ergens rond het zevende levensjaar begint en tegen de twaalfde verjaardag abrupt ten einde komt.

Een verslaggever van de website Studioitalia ging vier jaar geleden in Modena op onderzoek uit naar het mysterie van de Panini-plaatjes – daar worden ze immers gedrukt en in zakjes gestopt. „Ze zeggen dat ze die plaatjes voor hun kinderen kopen. Maar daar geloof ik niets van. Die plaatjes zijn geen kinderspel meer.” Aldus een mevrouw van een krantenkiosk.

Elena Orlando van Panini is iets voorzichtiger. „Zeker, een kwart van de plaatjes wordt verkocht aan mensen die ouder zijn dan vijfentwintig jaar. Maar Panini is vooral een bedrijf voor kinderen.” In 2000 bedroeg de omzet 174 miljoen euro.

Toch vonden ze het bij Panini hoog tijd voor een ‘spannend initiatief’: de kinderen- en volwassenenmarkt was rijp voor het digitale plaatjesparen. Dat gaat zo. Met een mobiele telefoon kunnen plaatjes worden gekocht die op het internet in een virtueel plakboek worden geplakt. Dubbele plaatjes kunnen via een sms-commando worden geruild, of ontbrekende plaatjes aangevraagd. De Italiaanse mobiele telefoonaanbieder heeft ook recht op een paar krenten uit de pap.

Voor het digitale sparen haalt de Huismannenclub in Roosendaal gelukkig haar neus op. Ze organiseren liever een ‘fysiek’ evenement. „Niet alleen omdat je de plaatjes dan direct kunt voelen en in kunt plakken, maar ook vanwege de gezelligheid en de gemoedelijke atmosfeer.” Ik juich dit toe, ik herken er iets in van een olympische gedachte: plaatjes sparen verbroedert.

Ik moet een jaar of tien geweest zijn toen een Belgische kauwgomfabrikant op het idee kwam plaatjes van wielrenners bij de kauwgom te stoppen. Het platte pakje werd à vijf cent verkocht in de snoepkraam van de dorpskermis. Verteerd door hebzucht investeerde ik het dagelijkse zakgeld liever aan een duurzame collectie portretten dan aan de vluchtige sensatie van de zweefmolen of de botsauto. Al kauwend bouwde ik aan de verzameling die, naar ik meen, uit zestig plaatjes bestond, coureurs gehuld in de legendarische shirts van Wiel’s-Groene Leeuw, Solo-Superia, en Mann-Grundig.

De dag dat de kermis werd afgebroken en naar elders verkaste, had ik ze allemaal op één na: Arthur Decabooter, een naam die ik me niet voor niets tot op de dag van vandaag herinner. Mijn beste schoolvriend had hem wel, terwijl zijn verzameling verre van compleet was. Ik probeerde een overcomplete Willy Vannitse te ruilen. „Nee!” Een Rik van Looy erbij dan? „Nee!” Plus Michael Wright, een zeldzame Engelsman? Mijn vriend liet zich niet vermurwen. Er zat niets anders op dan met de kermis mee te fietsen en in het casino van de snoepkraam mijn inzet te verdubbelen.

Plaatjes sparen, een volwassen bezigheid.