Parijs (2)

De mens alleen. Hij houdt zich het liefst verborgen in zijn eigen huis, of in de massa, waar hij zich veilig voelt voor andermans blik. Maar er zijn momenten waarop hij uit zijn hol moet komen en het scherpe daglicht niet kan vermijden.

Zondag in Parijs. Twee restaurants, twee mensen alleen.

’s Morgens omstreeks tien uur stapt een donkerharige vrouw van een jaar of veertig een klein café-restaurant aan de Rue du Louvre binnen. Er zit niemand, behalve wij, mijn vrouw en ik. Achter de toog staat een ober met de gelatenheid van iemand die nog een hele, tergend vervelende werkdag vóór zich heeft. Een serveerster drentelt rond. De vrouw, gekleed in een blauwgroene bloes en zwarte broek, blijft aan de toog staan en bestelt haar ontbijt: koffie en een baguette kaas.

Ze pakt een spiegeltje uit haar tasje en begint haar gezicht bij te werken. Het wordt witter, nóg witter. Eyeliner, lipstick, het hele wapenarsenaal komt tevoorschijn. Al haar bewegingen verraden een zekere gejaagdheid, ze voelt zich niet op haar gemak, misschien nergens niet, maar in ieder geval hier niet. Dat is een van de grote onrechtvaardigheden van deze wereld: dat vrouwen, zolang ze alleen zijn, zich in dit soort cafés nooit helemaal prettig voelen. Ze hebben niet het talent voor de luie bedaardheid waarmee mannen zich in zo’n situatie kunnen gedragen. Vrouwen voelen zich al snel bespied – en meestal terecht.

Ze neemt snelle slokjes van haar koffie. Inmiddels is een ouder echtpaar binnengekomen. De man blijft bij de toog staan, terwijl zijn vrouw meteen de trap naar de toiletten kiest. Hij neemt de etende vrouw van hoofd tot voeten op, en dan weer retour. Daarna wendt hij zijn blik af, de inventarisatie voltooid. De vrouw schuift haar bordje terug over de toog en steekt een sigaret op.

Op dat moment komt de vrouw van het echtpaar terug van de toiletten. Ze zegt nerveus iets tegen haar man en hij kijkt naar de onderzoom van haar jurk, die kletsnat is geworden. Hij haalt zijn schouders op en gaat nu zelf naar de wc. De vrouw aan de toog kijkt ook. Ze zou iets kunnen zeggen tegen de ontredderde vrouw naast haar, maar ze heeft er geen zin in. Wie bemoeit zich ooit met haar? Ze neemt nog een trekje, pakt haar portemonnee, rekent af en vertrekt zonder te groeten.

Later die dag. In restaurant Chartier aan de Rue du Faubourg Montmartre zit een oude zwerver te eten aan de tafel achter ons. Drie volle plastic zakken staan aan zijn voeten. In Chartier, ooit begonnen als volksgaarkeuken, is iedereen welkom. Het eten is er goed en betaalbaar, de sfeer in de hoge ruimte is informeel. Het is er altijd druk. Mensen of stelletjes alleen worden bij andere mensen aan tafel gezet.

Daarom viel de zwerver aanvankelijk niet zo op. Maar geleidelijk wordt het stiller om hem heen, en ten slotte zit hij er moederziel alleen. Hij is dronken geworden, de flessen op tafel zijn leeg. Hij pakt af en toe zijn lege glas op, mompelt er iets tegen, zet het dan weer neer. Hij moet hier weg, en opeens is hij ook weg, verdampt in zijn eenzaamheid, alsof hij er nooit geweest is.

    • Frits Abrahams