Inspelen op verandering

Wie had dat gedacht: Shell legt het hoofd in de schoot en aanvaardt dat regeringen machtiger zijn dan multinationals. Afgelopen weekend zei Shell-topman Van der Veer tegen de Britse zakenkrant Financial Times dat landen met olie- en gasvoorraden zich steeds nationalistischer zullen opstellen tegenover de grote energieconcerns van de wereld, zoals Shell en Exxon. Deze „nieuwe realiteit” wordt veroorzaakt door de stijging van de prijs voor ruwe olie. Het zelfbewustzijn van olie- en gasproducerende landen neemt hierdoor toe. Uiteindelijk zijn regeringen de baas, zei Van der Veer. Hij reageerde op recente nationaliseringen, onder andere in Bolivia, waar president Morales de gasvelden naastte om de opbrengst ervan ten goede te laten komen aan de bevolking.

Morales’ actie is geen incident. Het is een trend die staten bij de huidige hoge energieprijzen een kortstondig rendement oplevert, maar die op termijn doorgaans schadelijk is. De olieprijs kan (en zal waarschijnlijk) weer dalen, waardoor het onaantrekkelijker wordt de exploitatie van de velden blijvend te verzorgen. Als vervolgens (overheids)investeringen uitblijven, daalt de productiecapaciteit en komt van de mooie voornemens om het volk in de opbrengsten te laten delen weinig terecht. Het is te gemakkelijk om schande te spreken van de macht van oliemaatschappijen. Ze hebben een functie, en dienen behalve hun aandeelhouders óók nationale belangen met hun kennis over exploratie en exploitatie.

In die zin lijkt de Shell-topman zich wel erg snel neer te leggen bij de ‘nieuwe realiteit’. Inderdaad, als het er op aankomt zijn regeringen de baas, maar olieconcerns kunnen altijd nog de tering naar de nering zetten. Hun aanwezigheid in landen als Nigeria, Bolivia en Rusland wordt niet meer voor lief genomen. Ze hebben te maken met politieke gevoeligheden, lokale conflicten, veiligheidskwesties en milieu-eisen, corruptie, aanslagen en ander geweld. Met al die zaken zullen ze rekening moeten houden. Ze zullen concessies moeten doen, moeten (her)onderhandelen over contracten en ze zullen soms hun aanwezigheid en werkzaamheden moeten heroverwegen. Hoe moeilijk dit ook is, het hoort wél bij ondernemen.

Nationale of genaaste olie- en gasmaatschappijen kunnen nooit al het werk van de multinationals overnemen. Dat is ook ongewenst. De prijs voor nationaliseringen wordt altijd later pas betaald, als blijkt dat de zegen niet van de staat komt. Slimme energiebedrijven kunnen op de veranderingen inspelen door hun vanouds sterke kant veel meer te ontwikkelen: die van de techniek. Shell heeft die ten onrechte verwaarloosd. Er is olie en gas genoeg in de wereld, maar de voorraden zitten dieper en zijn moeilijker winbaar. Een concern dat over voldoende technische kennis beschikt, en weet hoe het de politiek bedient, maakt zich onmisbaar en zal ook de komende decennia in de moeilijkste landen welkom zijn.