Goedkope politici

Een Deense of Noorse zakenman verdient twee keer zoveel als een premier.

Maar in andere Europese landen zijn de verschillen tien keer zo groot.

Europese topmanagers uit het bedrijfsleven verdienen overal tien keer meer dan politici of topambtenaren. Behalve in Denemarken en Noorwegen.

Hoge ambtenaren in de twee Scandinavische landen verdienen ruim de helft van een inkomen in het bedrijfsleven. In de meeste Europese landen is dit slechts één vijfde. Premier Balkenende verdient tien keer minder dan bijvoorbeeld de directeur van Aegon, maar de Deense premier Rasmussen verdient 40 procent van het inkomen van een Deense bedrijfsdirecteur.

Daarmee lijken Noorwegen en Denemarken het ideaal van veel andere Europese landen te hebben gerealiseerd die zich zorgen maken over het enorme gat in salariëring tussen politici en ambtenaren enerzijds en zakenlieden anderzijds.

Het adviesbureau Hay Group onderzocht de “kale' inkomens, zonder toeslagen en onkostenvergoedingen, van premiers, ministers en topmanagers bij bedrijven in dertien Europese landen en presenteerde vorige week de resultaten (zie inzet).

Hoe komt het dat de verschillen in Scandinavië zo veel kleiner zijn? De inkomens in de marktsector liggen er lager dan in de rest van Europa, zegt Anna Flagstad van Hay Group Noorwegen. De grootste Noorse bedrijven zijn (deels) staatsbedrijven. De regering beslist in de raad van bestuur mee en houdt zo de inkomens van de top laag. Noorse bedrijven en hun managers zijn niet erg internationaal georiënteerd volgens Flagstad. “We hoeven niet bang te zijn dat onze managers voor een hoger inkomen naar het buitenland vertrekken. Ze blijven liever in Noorwegen.“

Tegelijkertijd houden de regeringen de inkomens in de publieke sector hoog. “De Deense overheid is heel actief. Ieder jaar worden de inkomens in de publieke sector vergeleken met de ontwikkelingen in het bedrijfsleven“, zegt Flagstad. En de Noorse regering voerde in 1991 een modern bonussysteem in voor ambtenaren. Bij goede prestaties kunnen Noorse ambtenaren tot 30 procent bovenop hun loon krijgen.

Andere Europese landen doen vergeefse pogingen om het verschil tussen markt en overheid kleiner te maken. De angst bestaat dat getalenteerde mensen voor een commerciële carrière en niet voor een overheidsbaan kiezen. In België verdienen topambtenaren met 194.000 euro nu ongeveer de helft van de top in het bedrijfsleven. Het eerste kabinet van premier Verhofstadt wilde de overheid moderniseren en topambtenaren weghalen bij bedrijven met aantrekkelijke salarissen.

Inmiddels is door het tweede kabinet-Verhofstadt besloten de topambtenarensalarissen weer te verlagen met 20 procent tot 158.000 euro, waarmee ze een paar duizend euro boven het oude niveau uitkomen. Lage ambtenaren protesteerden tegen de verschillen met hun superieuren. Of de topambtenaren als gevolg van de verlaging weer terugkeren naar het bedrijfsleven, zal moeten blijken als in 2007 hun termijnen aflopen.

Ook in Groot-Brittannië doet de regering Blair haar best topambtenaren te rekruteren uit het bedrijfsleven met hoge beloningen. Wie de overstap maakt kan rekenen op een beloning tot 279.300 euro per jaar, maar dit is nog altijd maximaal een kwart van een inkomen in de marktsector. Blair verdient 268.500 euro. Dit is ongeveer acht procent van wat bijvoorbeeld de baas van British Petrol verdient. Nergens in Europa verdienen premier en topambtenaar meer, maar de lonen op de markt liggen in Groot-Brittannië nu eenmaal veel hoger.

In Nederland adviseerde een commissie onder leiding van oud-VVD-leider Dijkstal vorig jaar het salaris van premier en ministers respectievelijk met 42 en 30 procent te verhogen. Topambtenaren zouden niet meer mogen krijgen dan de premier. Als de verschillen tussen overheid en markt nog groter worden “holt dat de kwaliteit van de politiek en de overheid uit“, vreest Dijkstal. “Er is geen enkele topambtenaar die zo veel verantwoordelijkheid draagt als een minister“, motiveert hij zijn plan. De oud-minister heeft er begrip voor dat bedrijven topmanagers veel betalen. “Je moet de concurrentie met bedrijven in de landen om je heen wel aan kunnen gaan.“

Eric van Zelm van de Hay Group Nederland is kritisch over de voorstellen. Hij vindt dat de lonen van topambtenaren verhoogd moeten worden en niet die van de bewindslieden, zoals Dijkstal wil. “Politicus ben je voor een paar jaar en daarna maak je goede kans op allerlei commissariaten en interessante ambten. Dat geldt niet voor ambtenaren.“ En ambtenaren mogen best meer verdienen dan de minister die boven hen staat. “Voetballers verdienen toch ook veel meer dan de technisch directeur van een club?“

Maar als de lonen in het bedrijfsleven blijven stijgen, moet de overheid daaraan mee blijven doen? Van Zelm vindt dat er een kloof mag zijn tussen overheid en bedrijfsleven, maar deze mag niet te groot worden. “Want dan straal je als overheid uit dat je je eigen werk niet zo belangrijk vindt.“

    • Inger Kuin