Elke maand een andere studie met tegoedbon

De Tweede Kamer vergaderde gisteren over leerrechten. Er viel nog geen besluit, maar de kritiek van studenten is niet verminderd.

Studenten moeten met de voeten gaan stemmen. Dat is een van de speerpunten van de herinrichting van het hoger onderwijs, die staatssecretaris Rutte (Onderwijs, VVD) door de Tweede Kamer hoopt te loodsen. Door de invoering van leerrechten, een onderwijstegoedbon die per periode kan worden ingezet bij een instelling naar keuze, denkt Rutte te stimuleren dat studenten slecht onderwijs zullen afstraffen door naar een andere instelling over te stappen.

Met hun massale opkomst bij het Tweede-Kamerdebat over leerrechten onderstreepten studenten van diverse organisaties gisteren dat de leerrechten er wat hen betreft helemaal niet hoeven te komen. Hoewel er pas bij het plenaire Kamerdebat over dit onderwerp – nog voor de zomer – een definitieve beslissing valt, namen de studenten de gelegenheid te baat om hun standpunten nog eens duidelijk te maken.

Ze vrezen een veel te hoog collegegeld als de leerrechten, die in de meeste gevallen zes jaar mogen worden ingezet, op zijn. Bovendien zijn de studenten van mening dat het tegendeel wordt bereikt van doelen die gesteld zijn, zoals keuzevrijheid, flexibiliteit en kwaliteit.

Het studentenprotest staat niet op zichzelf. De Raad van State oordeelde dat het plan ‘overbodig en tegenstrijdig’ is. Ook de universiteiten zijn tegen: hun bezwaren richten zich vooral op de termijn van een half jaar, die veel administratieve verplichtingen met zich meebrengt.

Het gebrek aan draagvlak is ook bij Tweede-Kamerleden niet onopgemerkt gebleven, zo bleek gisteren tijdens het debat. „Hoe kan dat, nadat er anderhalf jaar over is vergaderd met alle partijen”, vroeg Jacques Tichelaar (PvdA) aan de staatssecretaris. Zijn collega Fenna Vergeer (SP) stelde voor om de invoeringsdatum „een jaar op te schuiven”. En Arie Slob (ChristenUnie) noemde de 23 op het wetsvoorstel ingediende amendementen „geen goed teken”.

Ook de voorgestelde duur van leerrechten van een half jaar is op bezwaren gestuit. Een aangenomen motie van Tichelaar voorziet in de mogelijkheid voor studenten om per maand van instelling te veranderen, ondanks de daaraan verbonden kosten voor de universiteiten en hogescholen.

Deze bezwaren ten spijt ziet het ernaar uit dat de leerrechten het gaan halen in het parlement, zij het mogelijk in aangepaste vorm. De twee grootste fracties (CDA en PvdA), die samen een meerderheid hebben in de Tweede Kamer, zijn in de kern voorstander van leerrechten. Wel is de vraag of Rutte de geplande invoering in 2007 haalt. Een andere motie van Tichelaar die gisteren werd aangenomen, bepaalt dat de leerrechten alleen worden ingevoerd als de Wet op het hoger onderwijs en onderzoek (WHOO), waarvan de leerrechten een vooruitgeschoven onderdeel zijn, vóór september 2007 wordt aangenomen.

Die motie is cruciaal, omdat de WHOO, die komend najaar door de Kamer wordt besproken, eveneens op grote weerstand kan rekenen bij universiteiten en studenten. „Haastwerk”, oordeelt voorzitter Evelien van Roemburg van studentenbond ISO over deze wet. Voorzitter Ed d’Hondt van de vereniging van universiteiten (VSNU) suggereert de WHOO over de Tweede-Kamerverkiezingen van 2007 heen te tillen, om de wet „beter hanteerbaar” te maken.

Het belangrijkste onderwerp van kritiek op de WHOO richt zich op het begrip ‘zorgplicht’. De colleges van bestuur krijgen een zorgplicht: zo moeten ze goed onderwijs leveren, studenten goed informeren en de medezeggenschap organiseren. Ze mogen zelf weten hoe ze dat doen.

Doordat de term zo vaag is omschreven, zeggen studentenbonden LSVb en ISO, komt de rechtspositie van de student in het geding. Hoe kan worden getoetst of de colleges van bestuur ‘goed’ onderwijs leveren, of ‘voldoende’ informatie? Ook het gebrek aan draagvlak en de „onduidelijke” medezeggenschap stuiten bij de studentenbonden op kritiek.

Ondanks hun bezwaren vinden de studenten dat de nieuwe wet er wel mag komen, zij het in aangepaste vorm. Universiteitenvereniging VSNU gaat een stap verder: de WHOO moet van de baan, als het aan voorzitter d’Hondt ligt. Het ontbreekt de wet aan fundament, de bureaucratie neemt onnodig toe en het tempo van behandeling van de wet ligt onverantwoord hoog, aldus d’Hondt. Ook de VSNU hekelt de vage omschrijving van de zorgplicht, „omdat er geen enkele juridische status aan kan worden ontleend”.

Niet alle organisaties in het hoger onderwijs hebben kritiek. Een belangrijke medestander van Rutte is de HBO-raad. Zo is de vereniging van hogescholen zeer te spreken over de raden van toezicht, die in de nieuwe wet de rol van de overheid als toezichthouder op de instellingen moeten overnemen. Toch vreest ook de HBO-raad toenemende bureaucratie.

De leerrechten en de WHOO worden algemeen gezien als de twee grote prestigeprojecten van staatssecretaris Rutte. Pas na de plenaire behandeling van de leerrechten weet hij of deel één van zijn missie om het hoger onderwijs te vernieuwen is geslaagd.

    • Derk Walters