Een beetje respect voor de media-nerds

Het begrip “intellectueel' is even beladen als “mannelijke balletdanser'.

Wat is een intellectueel eigenlijk? En wordt hij in zijn bestaan bedreigd?

De Britse acteur Pierce Brosnan als de überintellectueel in “Mars Attacks!', een science-fictionparodie uit 1996 van filmregisseur Tim Burton Foto Photos12 Mars Attacks! Year: 1996 Director: Tim Burton Pierce Brosnan PHOTOS12

Op intellectuelen valt altijd wat te mopperen. Soms laten ze zich te veel in met de politiek, wat verwerpelijk is als het gaat om extreme ideologieën zoals fascisme en communisme. Dan klinkt weer het verwijt dat ze zich terugtrekken in een ivoren toren. De ene keer luidt de kritiek dat ze uitspraken doen over onderwerpen waar ze geen verstand van hebben. En op andere momenten is de sombere diagnose dat de ware generalisten zijn uitgestorven en dat er alleen nog deskundigen zijn. Kortom, het is niet goed of het deugt niet.

In zijn met veel brille geschreven Absent Minds. Intellectuals in Britain brengt Stefan Collini, hoogleraar ideeëngeschiedenis aan de universiteit van Cambridge, het Britse debat over de positie en de rol van intellectuelen in de 20ste eeuw uitvoerig in kaart. Soms te uitvoerig. Alleen de ware anglofiel wil kennis nemen van alle ins en outs rond The Third Programme, de culturele zender van de BBC, of de debatten op de redacties van kleine tijdschriften als Nation en New Age begin vorige eeuw. Maar wie doorzet, wordt beloond met een boeiende geschiedenis van het begrip “intellectual' en fraaie case studies over dichter T.S. Eliot, schrijver George Orwell en de filosofen R.G. Collingwood en A.J. Ayer. Collini maakt ook interessante, vergelijkende excursies naar het debat over intellectuelen in Duitsland, de Verenigde Staten en Frankrijk. Hij buigt zich over actuele kwesties, zoals de steeds dominantere celebrity-cultuur in de media en de toenemende specialisering in de wetenschap; ontwikkelingen die de positie van intellectuelen zouden bedreigen. En dat alles binnen een knap theoretisch kader waarin hij de rol van intellectuelen nauwkeurig analyseert.

Intellectuelen in Engeland, bestaan die dan? Engelsen zien zichzelf graag als een natie van nuchtere middenstanders die zich niet snel het hoofd op hol laten brengen door hoogdravende theorieën en abstracte ideeën. Voor een intelligentsia zou in de Britse cultuur weinig plaats zijn. Collini noemt dit stereotype beeld de “traditie van ontkenning'; ze zijn er wel, Engelse intellectuelen, maar ze willen liever niet zo heten. Die observatie is ook voor Nederland interessant, want het Britse zelfbeeld staat niet ver af van hoe de Nederlanders zichzelf graag zien; als een nuchter, pragmatisch volk met een geschiedenis in het teken van tolerantie en handelsgeest; het “land van kleine gebaren' en niet van grote woorden.

Het idee van Engeland als een land dat anders was dan het continent (lees: Frankrijk) kreeg een sterke impuls door de heroïsche rol van de Britten in de Tweede Wereldoorlog. Het beeld van een nation of shopkeepers was daarna volgens Collini het meest dominant in de jaren vijftig. Dat kwam door wat Engeland niet had: een Sartre. De figuur Sartre, en met hem het algemene beeld van de Franse intellectueel, had zo'n status, dat de Engelsen de intellectuelen onder hun eigen neus niet opmerkten. Dat berust op een misverstand, meent Collini. Aan het Franse voorbeeld valt volgens hem slechts een beperkte definitie van de rol van de intellectueel te ontlenen.

Veel beschouwingen over intellectuelen lijden aan wat Collini noemt “Dreyfus-envy'. De moderne Franse intellectueel werd geboren tijdens die beroemde affaire, eind 19de eeuw, waarbij een joodse officier door een militaire rechtbank ten onrechte werd veroordeeld wegens spionage en hoogverraad. Nadat Emile Zola zijn “J'Accuse...!' had gepubliceerd, verscheen in de krant l'Aurore een ondersteunende protestbrief die was getekend door niet minder dan 1200 geleerden, onderwijzers en andere universitair geschoolden. Georges Clémenceau refereerde in een redactioneel commentaar in dezelfde krant aan de brief als “het protest van de intellectuelen'. Zo begon de term aan zijn omstreden zegetocht. Het woord werd meteen opgepikt als scheldwoord en voorwerp van spot voor de rechtse publicist Maurice Barrès. Met de geboorte van de geëngageerde intellectueel ontstond ook meteen de anti-intellectuele intellectueel. Het zou nog enkele decennia duren voor ook rechtse schrijvers en denkers in Frankrijk zich openlijk als “intellectueel' gingen afficheren.

De Dreyfus-affaire werd vervolgens maatgevend voor de rol van intellectuelen in Frankrijk; de nadruk kwam te liggen op het optreden als groep, op politieke interventies en op scherpe polarisering tussen links en rechts.

Het paradigma van de Franse intellectueel ontneemt volgens Collini het zicht op de rol die intellectuelen in de meeste andere landen spelen. Zo ook in Engeland. Hij definieert die rol minder hoogdravend dan gebruikelijk is. Hij legt de nadruk niet op politiek engagement, maar op “culturele autoriteit'. De intellectueel is volgens hem iemand die zijn sporen heeft verdiend in een bepaalde kunstvorm of een wetenschapsgebied en die vervolgens toegang heeft tot media, waarmee hij een publiek bereikt dat breder is dan uitsluitend vakgenoten.

Zo beschouwd heeft Engeland helemaal geen gebrek aan intellectuelen - en Nederland trouwens ook niet. Collini werpt een ander licht op de ook in Nederland periodiek opklinkende klacht over het uitsterven van de intellectueel, het geringe aanzien van denkers en kunstenaars in dit land, het gebrek aan engagement bij literaire auteurs en het ontbreken van een zelfbewuste elite. Misschien staat het er toch niet zo beroerd voor, misschien kijken we vooral door de verkeerde bril.

Wie de actualiteitenrubrieken op de televisie of de radio aanzet, hoort vaak een deskundige praten die ook een intellectueel blijkt te zijn, of andersom. Voor veel columnisten geldt eveneens dat je ze moeilijk anders kunt beschrijven dan als het type dat zo vaak in het verdomhoekje zit: de intellectueel. En columnisten zijn in Nederland zeker niet met uitsterven bedreigd. Welke kritiek je ook op Hirsi Ali kan hebben, ze opereert als een intellectueel, die ideeën over Verlichting, religie en moderniteit een dominante rol laat spelen in haar politieke optreden.

Collini's titel Absent Minds slaat dus niet op het ontbreken van een intelligentsia in Engeland, want die is er wel degelijk, maar op de “patronen van ontkenning'. Zijn analyse verklaart ook waarom de intellectueel altijd kwetsbaar is voor zowel het verwijt van overspecialisatie als van amateurisme. Wie zich te veel richt op vakgenoten, verdwijnt bij de media uit beeld. Maar wie zich uitsluitend richt op een breed publiek, verliest de waardering van zijn collega's.

Collini mag dan streng oordelen over vormen van anti-intellectualisme, hij moet evenmin veel hebben van de romantisering en eigendunk die spreekt uit de omschrijvingen van de intellectueel als de onafhankelijke geest bij uitstek, de ultieme buitenstaander, de man of vrouw die permanent oppositie voert tegen de macht. De intellectueel vervult een publieke rol en is dus per definitie onderdeel van de samenleving. De stelling dat de intellectueel permanent oppositie moet voeren, is volgens Collini onlogisch. Want wat rest de intellectueel nog die met zijn kritiek succes heeft en maatschappelijke weerklank vindt? Die kan dan alleen nog in oppositie gaan tegen zijn eigen opvattingen.

Collini ruimt zo heel wat gemeenplaatsen en pavlovreacties op rond het begrip “intellectueel' - een woord dat volgens hem even beladen is als “mannelijke balletdanser' en “alleenstaande moeder'.

Achter het stereotype van het pragmatische Engeland, gaat een bruisend intellectueel leven schuil, dat anders is dan in Frankrijk, maar daar niet per se voor onder doet. Dat wil niet zeggen dat Collini ontkent dat de Fransen meer maatschappelijk prestige toekennen aan hun intellectuelen dan de Engelsen, al was het maar omdat de Fransen zelf geloven in het verhaal van Frankrijk als drager van de idealen van de Verlichting.

Hier zit de grootste zwakte van dit monumentale boek. Als het waar is dat culturele stereotypen en clichés in Frankrijk de functie hebben gehad van een self-fulfilling prophecy, dan zou dat ook voor Engeland kunnen gelden. Zo kan het gekoesterde Engelse zelfbeeld van gematigdheid en werkelijkheidszin, de ontwikkeling van het intellectuele leven wel degelijk in de weg hebben gezeten. Dat zou betekenen dat het dominante zelfbeeld tot op zekere hoogte klopt. Collini lijkt dat te bevestigen, als hij de Engelse achterdocht tegenover abstracties verantwoordelijk stelt voor het uit de weg gaan van “difficulty' in het maatschappelijk debat.

De intellectueel zal volgens hem niet spoedig van het toneel verdwijnen. Het behoort volgens Collini tot het vaste repertoire van het intellectuelendebat dat er altijd een geromantiseerd “vroeger' en “elders' is - afgezet tegen het hier en nu - waar grote denkers en hoge kunst wèl serieus werden genomen.

In een cultuur die steeds meer nadruk legt op maatschappelijke gelijkheid met een dominante rol voor de massamedia, kunnen intellectuelen minder op voorhand rekenen op prestige en de bijbehorende mogelijkheid om gehoord te worden, zo geeft ook Collini volmondig toe. Maar er bestaat nog altijd een duidelijke behoefte aan het beschouwen van maatschappelijke kwesties in het brede, niet-instrumentele perspectief dat de intellectueel kan bieden. Dat is een belangrijke taak, maar ook weer geen reden om de intellectueel op een voetstuk te plaatsen, onderstreept Collini in zijn slothoofdstuk. “Intellectuelen moeten bewijzen dat ze hun naam waard zijn door te laten zien dat ze echt iets te melden hebben dat het waard is om naar geluisterd te worden.'

Typisch Engels, zou je haast zeggen, zo'n nuchtere conclusie.

Absent Minds. Intellectuals in Britain.

Non-fictie

Stefan Collini, Oxford University Press, 526 blz. 45,59

    • Peter de Bruijn