Dolle hond van Midden-Oosten is nu model, aldus VS

Net nu de VS olieleverancier Venezuela treffen met sancties, worden de diplomatieke banden met Libië volledig hersteld. De voormalige vijand moet nu als voorbeeld dienen voor Iran en Noord-Korea.

Ooit een dolle hond, nu een bondgenoot en zelfs model voor de wereld. De Amerikaanse regering heeft de toenadering tot Libië gisteren bekroond met een normalisering van de betrekkingen, die voor beide landen belangrijk is. Libië kan nu voluit profiteren van economische betrekkingen met het westen. En de VS hebben nu eindelijk een bescheiden succes in het Midden-Oosten.

„Hij is niet alleen een barbaar, maar hij is ook geschift”, zei in 1986 de toenmalige Amerikaanse president Ronald Reagan over de Libische leider Moammar Gaddafi. Hij noemde hem „de dolle hond van het Midden-Oosten”. Het was de tijd van Libische steun voor terreur en van Amerikaanse luchtaanvallen op Tripoli en Benghazi.

Maar inmiddels heeft Gaddafi officieel terrorisme afgezworen en afstand gedaan van zijn massavernietigingswapens. Daarom heet Libië nu „een belangrijk model terwijl landen in de wereld gedragsverandering eisen van de Iraanse en Noord-Koreaanse regimes”, aldus de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Condoleezza Rice.

Maar een model op het gebied van mensenrechten kan Libië moeilijk genoemd worden. Officieel is verspreiding van democratie in de wereld, en in het bijzonder het Midden-Oosten, een belangrijke doelstelling van het Amerikaanse buitenlandse beleid. Maar ook het aanhalen van banden met olieproducerende landen is voor Washington belangrijk.

Vanaf zijn machtsgreep in Libië in 1969 als jonge kolonel was Gaddafi een luis in de Amerikaanse pels – zoals de Venezolaanse leider Hugo Chávez, gisteren juist door Amerika met sancties gestraft, dat nù is. Hij was een revolutionair met een klein land, veel olie en een groot retorisch vermogen, die het opnam tegen de Amerikaanse supermacht. Met alle middelen, inclusief terreur.

Washington sloot zijn ambassade in Tripoli in 1980, nadat een menigte daar ter ondersteuning van de Iraanse islamitische revolutie het gebouw in brand had gestoken. Er volgden eenzijdige economische sancties, een Amerikaans-Libisch treffen in de Golf van Sirte en de luchtaanvallen nadat Washington Libië had beschuldigd van de bomaanslag op een door Amerikaanse militairen gefrequenteerde discotheek in Berlijn.

Achteraf bezien vormde de aanslag op een Amerikaans passagiersvliegtuig boven Lockerbie in 1988 (270 doden) het begin van de omslag. In 1991 gaf Washington formeel Libië de schuld. Zelf scherpte het vervolgens zijn eigen strafmaatregelen tegen de Libische olie-industrie aan, terwijl het samen met Londen de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties ertoe bewoog internationale sancties, waaronder een vliegverbod, tegen Libië af te kondigen.

Gaddafi keerde zich af van de Arabische wereld, die hem eigenwijs en lastig vond, en betaalde met zijn oliegeld Afrikaanse leiders om de sancties te helpen ontduiken en hem een hoofdrol op het Afrikaanse continent te bezorgen. Maar uiteindelijk werd de internationale druk hem te kostbaar. In 1998 leverde hij de twee verdachten van ‘Lockerbie’ voor berechting in Nederland uit en zwoer hij officieel terrorisme af.

Zijn aankondiging in 2003 dat hij afstand deed van zijn massavernietigingswapens bezegelde zijn tweede grote draai, van Afrika naar het Westen. De regering van president Bush zag – en ziet – het vooral als resultaat van zijn oorlog tegen die andere grote uitdager van de wereldopinie, Saddam Hussein. Het Amerikaanse handelen „jaagt schurken-dictators de stuipen op het lijf”, zei Pentagon-adviseur Kenneth Adelman indertijd. Maar Martin Indyk, onderminister van Buitenlandse Zaken onder Bush’ voorganger Clinton, schreef in 2004 in de Britse Financial Times dat Gaddafi in mei 1999 officieel met zijn aanbod kwam, „op het hoogtepunt van 12 jaar van diplomatie met Irak die de heer Bush nu kleineert”. „Zoals de feiten aantonen, vereiste Libiës ontwapening geen oorlog in Irak.” Andere commentatoren zeggen: het vereiste gesprekken met Washington, die nu niet plaats vinden met Iran of Noord-Korea.

Op één belangrijk punt heeft Gaddafi geen ommezwaai gemaakt: democratie en mensenrechten. De mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch (HRW) kritiseerde in januari nog de VS en Europa voor hun toegeeflijke houding jegens Libië die zij aan de aantrekkingskracht van de Libische olie toeschreef. De situatie was wel verbeterd, aldus HRW, maar zij bleef onbevredigend, met foltering, politieke detenties en oneerlijke processen. De Democratische senator Joseph Biden zette zich eerder deze maand nog in voor vrijlating van Fathi Eljahmi (64), een ex-regeringsfunctionaris die pro-democratie-activist is geworden.

Toen Libië in maart klaagde dat het maar niet van de officiële Amerikaanse terreurlijst werd afgevoerd – die sancties met zich meebrengt – zei de Republikeinse senator Richard Lugar, voorzitter van de Senaatscommissie voor buitenlandse betrekkingen, dat hij mogelijk een hoorzitting zou organiseren om van het State Department te horen wat daarvoor de reden was. Libië zei hij, was „een pijl in onze koker” van veilige Amerikaanse olievoorraden.

Mustafa Zaidi, leider van Libiës Revolutionaire comités, maakte gisteren bekend dat Libië met de VS wil samenwerken om democratie in de wereld te verspreiden. De Revolutionaire comités zijn een soort partijapparaat.

    • Juurd Eijsvoogel
    • Carolien Roelants