De grootste honger van de oertijd

De grote energiebehoefte van de Neanderthaler bepaalde zijn leefstijl. Deze bonkig gebouwde verwant van de mens moest groot wild eten – en had dus geen tijd om verfijnd gereedschap te maken.

Een Neanderthaler had per dag twee kilo kariboevlees of het equivalent daarvan nodig om in leven te blijven. Die grote energiebehoefte bepaalde voor een belangrijk deel zijn gedrag, beweren de archeologen Kathy MacDonald en Wil Roebroeks van de Universiteit Leiden. Dat doen ze deze week met hun collega Alexander Verpoorte op een wetenschappelijk congres over het dieet van hominiden op het Max Planck Instituut voor Evolutionaire Antropologie in Leipzig.

De laatste tijd is veel onderzoek gedaan naar de lichaamsbouw en de daarmee samenhangende energiebehoefte van de Neanderthaler. De bonkig gebouwde Neanderthaler (die leefde van 200.000 tot 30.000 v.Chr.) zou in koude omstandigheden 3.500 tot 5.000 kilocalorieën per dag nodig hebben gehad, het equivalent van twee kilo kariboe. Moderne jager-verzamelaars als de inuït hebben genoeg aan 3.000-4.000 kcal; een man met een kantoorbaan heeft niet meer nodig dan 2.500 kilocalorieën.

Eerder was al vastgesteld dat bij de Neanderthalers de ruststofwisseling (het energieverbruik dat nodig is om in rust in leven te blijven) veel groter is dan bij de moderne mens. „Gemiddeld vijfentwintig procent – vanwege zijn grotere lichaamsmassa en zijn grote huidoppervlak”, zegt MacDonald, een Britse onderzoeker. „Wij hebben zelf als eersten ook gekeken naar het totale energieverbruik en het verschil met de moderne mens in het Jong Paleolithicum (40.000-10.000 v.Chr.).” Het totale energieverbruik is gebaseerd op de ruststofwisseling en de energie die nodig is voor dagelijkse activiteiten, reproductie en lichaamsgroei. MacDonald: „De Neanderthaler had dus tien tot dertig procent meer energie nodig dan de moderne mens in het Jong Paleolithicum.”

De grote behoefte aan energie moet gevolgen hebben gehad voor het gedrag, stelt MacDonald. Uit onderzoek van Neanderthalerbotten was al bekend dat de Neanderthaler een echte vleeseter was. Een vleeseter met een grote energiebehoefte beperkt zich bij de jacht tot groot wild, dat nooit lang op dezelfde plaats blijft. „Het heeft voor hem geen zin om energie te stoppen in het vangen van kleiner wild als konijnen.” Ten tweede zal onder dezelfde ecologische omstandigheden zijn effectieve voedselzoekradius (de maximale afstand van het centrale kamp die hij op en neer kan afleggen om voedsel te verkrijgen waaraan hij per saldo energie overhoudt) minder groot is dan die van de moderne mens. „En tot slot zal een Neanderthaler sneller verder moeten trekken, achter het rondtrekkende grootwild aan, en dus korter ergens verblijven. Om een populatie in stand te houden die groot genoeg is om te overleven, zal hij daarom een groter leefgebied nodig hebben dan de mens, die minder energie nodig heeft. Zoals vleeseters in het algemeen een kleinere populatiedichtheid hebben en een groter leefgebied nodig hebben dan planteneters.”

Deze voorspellingen zijn terug te zien in de archeologische sporen van de Neanderthalers, zegt MacDonald. Teruggevonden dierenresten zijn vooral van groot wild: oerossen, rendieren en neushoorns. De opgegraven gereedschappen en wapens zijn, behalve effectief ook eenvoudig en snel gemaakt. Duidelijk ingerichte verblijfplaatsen komen niet voor. Omdat de Neanderthaler ergens maar kort verbleef, had het geen zin om een duurzame schuilplaats of haard te maken. De moderne mens met een minder grote energiebehoefte maakte verfijndere gereedschappen, richtte zijn verblijfplaatsen meer in en had een veel breder dieet, met kleiner wild, schildpadden en vis.

De verschillen tussen de archeologische resten van Neanderthalers en de moderne mens moeten volgens Wil Roebroeks, hoogleraar prehistorie, dus niet zoals nu vaak gebeurt verklaard worden door een verschil in cognitie. “Het gaat gewoon om een verschil in gedrag dat gebaseerd is op een soort onbewuste kosten-batenanalyse.”

De Leidse archeologen combineren hun onderzoek met archeozoölogie, biologie, antropologie en archeologie. Roebroeks, de leider van het onderzoeksprogramma, is verder een groot voorstander van archeologisch onderzoek dat voorspellingen doet over mogelijke vondsten en dus enigszins falsificeerbaar is. „Theorieën die verschijnselen in cognitieve termen verklaren zijn te abstract om ze met een archeologische waarheid te kunnen confronteren.”

Dit eenvoudige nieuwe model, dat gedrag verklaart door de mate van energieverbruik, lijkt wel gemakkelijk te testen. Roebroeks en Verpoorte beginnen er deze zomer zelf mee. Bij Neumark-Nord, in de buurt van Leipzig, gaan ze met Duitse collega’s een Neanderthalervindplaats opgraven uit een van de tussenijstijden. „In deze warmere tijden waren er meer bossen. Dat betekende dat de grotere dieren verspreider leefden dan de kuddedieren op de open vlakten en steppen, het jachtterrein in koude tijden. Het vinden van prooi kostte Neanderthalers in zo’n bos dus meer tijd. Om de investering toch lonend te maken, zal hij zijn oog hebben laten vallen op de extra grote, maar misschien ook gevaarlijke dieren. Bij Neumark-Nord horen we dus, als ons model klopt, vooral botten van grote dieren als olifanten, beren of bosneushoorns als voedselresten te vinden.”

    • Theo Toebosch