Bedreigde jeneverbes in genenbank

Veel van de oorspronkelijke vegetatie in Nederland is verdwenen.

Daarom is er een bos voor inheemse bomen en stuiken aangelegd.

Jeneverbes. Foto Fred Hazelhoff / Foto Natura Foto Natura

Minister Veerman (Landbouw, CDA) heeft gisteren in de buurt van Dronten een bos voor inheemse bomen en struiken geopend. De genenbank ligt in het Roggebotzand in Flevoland. Dit is een bestaand bos waarvan nu een gedeelte, 28 hectare, is beplant met 3.500 bomen en struiken van bijna zestig verschillende soorten. Vanuit deze zaadgaard kunnen natuurgebieden en ook andere delen van het platteland worden voorzien van autochtone bomen en struiken.

Het publiek is van harte welkom, al hopen de boswachters van Staatsbosbeheer vurig dat niemand een collector's item weghaalt of er zelfs maar een stekje van meeneemt. De genenbank is bedoeld om inheemse soorten voor het nageslacht te bewaren.

Er zitten gewone soorten bij, zoals de beuk of de eik, maar ook zeldzame soorten zoals de wigbladige roos, waarover de minister gisteren tijdens een wandeling door het bos te horen kreeg dat die nog maar op een enkele plaats in Nederland te vinden is, namelijk de Bemelerberg in Zuid-Limburg. Veerman kon het niet laten om te wijzen op de aanwezigheid van enkele braamstruiken tussen de rozen. “Die moeten eruit“, aldus de bewindsman, die de daad bij het woord voegde. Een ander bedreigd juweeltje is volgens projectleider Bert van Os van Staatsbosbeheer de behaarde struweelroos, die nog maar op één of twee plaatsen wordt aangetroffen. Andere kwetsbare soorten in de bostuin zijn jeneverbes, peperboompje en wilde appel.

Naar schatting bestaat nog minder dan 5 procent van alle vegetatie in Nederland uit de oorspronkelijke vegetatie. Is dat betreurenswaardig? Jazeker, zeggen de deskundigen. In de eerste plaats verdwijnt met een inheemse soort ook een ecologisch systeem. Als voorbeeld wordt vaak genoemd de sleedoornpage, een vlindersoort die afhankelijk is van de bloeitijd van de sleedoorn. Van Os: “Als een sleedoorn niet op tijd bloeit, mist de sleedoornpage de aansluiting.“ Een ander argument voor behoud van de autochtone soorten is dat de kans op stabiele vegetaties stijgt met een toename van de genetische variëteit van de soorten.

Biodiversiteit beschermt de natuur tegen de gevolgen van klimaatverandering, maar ook de kans op ziekten is simpelweg kleiner. Zo krijgt de gevreesde iepziekte geen vat op de steeliep, en van de autochtone meidoorn is bekend dat deze minder gevoelig is voor bacterievuur en meeldauw dan de Zuid- of Oost-Europese meidoorn.

Het is nu aan de beheerders van het platteland en natuur om gebruik te maken van de genenbank bij Dronten. De kwekers zijn er klaar voor.