Wrok, liefde en preken

Afgelopen zaterdagmiddag vond de finale plaats van de preekwedstrijd die het dagblad Trouw had georganiseerd onder de titel ‘Preek van het Jaar’. Er hadden verrassend veel mensen meegedaan, niet alleen predikanten trouwens, ook iemand die in de IT werkte, een soefi-meester, een radio-journaliste. De vijf finalisten die zaterdagmiddag hun preek hielden waren wel allemaal predikant. Toevallig, want de jury (ik zat erin) had de eerste selectie gemaakt zonder te weten wie de schrijvers waren en wat ze deden.

Het is een merkwaardig genre, de preek. Eén van de deelnemers zei in zijn preek dat in het woord preek ook altijd iets van „last, klacht en ongemak” zit. „‘Hij stak een preek tegen me af’ is niet hetzelfde als ‘hij sloeg zijn arm om mijn schouder’.” Zo is het. Een preek is ook een vermaning, een preek vertelt ons hoe we ons moeten gedragen, hoe we moeten denken, wat onze houding moet zijn.

En hoe moet het dan?

Geen idee. Dat weten al die predikanten ook niet. Ze weten heel precies wat de vragen en de moeilijkheden zijn: dat je wel goede bedoelingen hebt maar dat die zo vaak stuklopen op de praktijk, dat heel erg je best doen om het goed te doen, maakt dat je je alleen nog maar met jezelf bezighoudt, dat het niet zo makkelijk is om iemand te zijn, dat als het einde nadert de vraag is wat het allemaal voor zin heeft gehad – heeft het wel zin? Maar een antwoord op zulke vragen is niet zo makkelijk te geven. Sommigen goochelen Jezus dan ineens uit de hoge geloofshoed: als we nu maar van Jezus houden, als we nu maar onthouden dat hij voor ons op aarde is neergedaald, dat God ook erg veel van ons houdt, dán. Ja wat dan. Als je per ongeluk niet in zulke dingen gelooft, betekenen ze niet eens wat en als je er wel in gelooft nemen zulke antwoorden de vragen in het geheel niet weg.

‘Ik en de anderen’ was het opgegeven onderwerp van de preken.

Ik ben op het ogenblik een boek aan het lezen dat in zekere zin ook over ‘ik en de anderen’ gaat , maar wel vanuit een radicaal ander vertrekpunt, namelijk Over kampliteratuur van Jacq Vogelaar. Dat boek is een buitengewoon indrukwekkende studie naar, beschouwing van, essay over wat er zoal in concentratiekampen, zowel die van de nazi’s als die van de sovjets, is geschreven. De belangrijkste schrijvers daarover hebben de meeste mensen waarschijnlijk wel gelezen – Primo Levi, Robert Antelme en Imre Kertész bijvoorbeeld over de nazi-kampen, Varlam Sjalamov, Aleksander Solzjenitzyn en Gustav Herling over de Goelag – maar Vogelaar heeft véél en véél meer onder ogen gehad en zich ten doel gesteld om nu juist niet het algemene en het overeenkomstige te beschouwen, maar, in navolging van de door hem in Nederland geïntroduceerde Sjalamov, het bijzondere van het bijzondere. Ook weigert hij mee te doen met clichés als dat er maar nauwelijks verschil is tussen slachtoffer en beul, dat in iedereen een kampbewaker schuilgaat enzovoort. Hij kiest citaten van bijvoorbeeld Robert Antelme, een schrijver die met verbazend grote precisie de wereld waarnam die bezig was hem te vernietigen, die juist laten zien hoe sommige gevangenen zichzelf vanaf het begin voorbestemmen om kapo te worden. En hij citeert ook voldoende om duidelijk te maken dat het systeem de mens maakt, dat daar maar weinig ontsnapping mogelijk is – weinig, maar niet geen.

‘Ik en de anderen’, dat klinkt in die context ineens totaal anders. Het zou heel verkeerd zijn om alles te beschouwen tegen die achtergrond van wreedheid en verschrikking – goddank (in dit geval wil je het zo wel zeggen) leven wij in een andere wereld. Gustav Herling noemde zijn boek over zijn verblijf in een sovjetkamp ook niet voor niets Een wereld apart.

In die wereld zijn goede bedoelingen niet meer zo interessant. Ik weet niet wat wel – Sjalamov schrijft in één van zijn verhalen dat na jaren in de ijshel van de Goelag al het menselijke afsterft, elk gevoel, behalve wrok. Wrok ligt op de bodem. Geen liefde. Gevangenen verraden elkaar om een kleinigheid, ook gevangenen die aardigheid hebben in elkaars gezelschap – maar soms ook redden ze elkaar, zomaar ineens, alsof het een diep instinct betreft.

Eén van de preekkandidaten citeerde Etty Hillesum, een schrijfster die door Vogelaar wordt overgeslagen, hoewel ze schitterend over Westerbork heeft geschreven. Hillesum wilde iets in zichzelf, iets dat ze God noemde, levend houden. Die God van haar was zeker een God van liefde. En ze deelde van die liefde uit, ook in Westerbork. Het citaat luidde als volgt: ,,Men moet een wereld op zichzelf zijn, met een eigen centrum, en vanuit dat eigen centrum kan men dan zijn stralen of krachten, en wat dan ook, zenden naar anderen. Dat is de taak en een voorrecht van de mens, van ieder ik. Daartoe moeten wij elkaar en onszelf opvoeden.”

Dat is een preek in zichzelf, zo kort als hij is. En het is ook een antwoord, een antwoord helemaal zonder God en liefde uit de hemel en voorsmaak van eeuwigdurende verrukkingen. Hillesums overtuiging heeft niet de proef van vijftien jaar kampleven hoeven doorstaan – ik denk niet dat dat een test is waaraan een overtuiging onderworpen hoeft te worden. Maar ze heeft deze opvatting wel geleefd, tot ze niet meer leefde. En ze verbond, even, twee werelden: die van de mooie preken in een zonnige kerk en die van de duisternis die ik en de anderen ook kunnen ondergaan.

    • Marjoleine de Vos