Vies van oppervlakkigheid

Ad Verbrugge is een jonge filosoof met een ouderwetse toewijding aan zijn vak. Hij maakt naam met kritiek tegen de managerscultuur en de teloorgang van het onderwijs. Een koppige Zeeuw die als docent „een echt academische sfeer creëert. Zoals je die zelden tegenkomt.”

Ad Verbrugge vond de verhuizing van Zeeland naar Zuid-Holland al een hele stap. Foto: Roel Rozenburg Rozenburg, Roel

Als het hard woei, gingen ze surfen op de Westerschelde. Op zelfgemaakte surfplanken. „We kochten zelf piepschuim, polyester en voetbanden. Voor nog geen vierhonderd gulden had je dan je eigen surfplank. Dan was je apetrots.”

De surfer uit Zeeland is filosoof geworden en inmiddels een bekende naam bij de lezers van opiniepagina’s. Ad Verbrugge brak in 2004 door bij het brede publiek met zijn boek Tijd van Onbehagen. Zijn bekendheid én populariteit groeiden aanzienlijk na een geruchtmakend essay tegen „procesdenken van de manager”. Het verscheen in deze krant en later in het nummer ‘Beroepszeer’ van Christen-Democratische Verkenningen (CDV).

Het essay heeft hem tot een held gemaakt in beroepsgroepen die zuchten onder de controledrang van managers. In het onderwijs, de zorg, en andere sectoren. „Ik heb gehoord van artsen die exemplaren meenamen naar hun werk en daar uitdeelden”, zegt Thijs Jansen, hoofdredacteur van CDV. „Eindelijk iemand die opschrijft wat wij voelen, zeiden ze.” Het was het meest succesvolle nummer ooit.

Verbrugge maakte naam met Tijd van Onbehagen, dat nu in de vijfde druk verschijnt. Hierin analyseerde hij een aantal maatschappelijke problemen, van zinloos geweld tot de aftakeling van het onderwijs. Uiteenlopende problemen, waarin Verbrugge een gemeenschappelijk kenmerk ziet: een gebrek aan ‘bezieling’ in de samenleving.

Dat gemis voelde hij al tijdens zijn jeugd in Terneuzen. „Een bepaald soort vervreemding. Dat het wezenlijke ontbreekt in activiteiten, in hoe mensen met elkaar omgaan, hoe ze in het leven staan. Bij dat surfen had je een groep rijkeluiszoontjes. Die hadden prachtige surfplanken en mooie trainingpakkies aan, maar eigenlijk konden ze helemaal niks. Ze durfden niet wat wij deden op onze gammele surfplanken. Ik voelde minachting voor mensen die veel spullen hebben maar eigenlijk niets kunnen. Nog steeds zeg ik tegen mijn kinderen: het gaat niet om hebben, het gaat om kunnen.”

Volledige inzet wil Ad Verbrugge, anders hoeft het van hem niet. Dat zeggen degenen die hem kennen, dat zegt hij zelf. Toen een vriend met wie hij als student dagelijks muziek maakte na een half uurtje spelen verklaarde een soap-serie te willen kijken, haalde Verbrugge zijn instrumenten weg. „Zo werk ik niet. Als ik speel, dan speel ik uren achter elkaar.” Misschien dat hij daarom nog uit Openbaringen kan citeren. ‘Omdat ge warm noch koud zijt, maar lauw, daarom spuug Ik u uit.’

Ad Verbrugge (39) komt uit een protestants milieu. Hij is nog steeds gelovig, maar de kerk beantwoordde niet aan zijn „religieuze fascinatie”. „Het geloof leek nauwelijks levens meer te bewegen, het zette geen harten meer in vuur en vlam.”

Zijn leraar Nederlands H. Neele herinnert zich Verbrugge nog goed uit de tweede klas van het atheneum. „Een heel opvallende jongen, die deel uitmaakte van een groepje. Kritische jongens met een grote mond die veel leraren uitdaagden. Sommige leraren vonden het een stelletje arrogante blaakskaken, maar ik vond ze wel leuk. Aan zulke jongens kun je tenminste iets kwijt.”

Als het einde van de middelbareschooltijd nadert, voelt Verbrugge „een soort stuurloosheid” in zijn leven. Hij stelt zich de gebruikelijke vragen: wie ben ik, wat wil ik worden? Maar ook diepere vragen houden hem bezig. Over de oorsprong van de wereld, over goed en kwaad. Zijn vader stuurt hem op catechisatie, waar hij enkele jaren tevoren was weggestuurd. De catecheet met wie Verbrugge praat over wat hem bezighoudt, raadt hem aan filosofie te studeren. Dat doet hij, in Leiden.

De westerse filosofie wordt vaak in twee ‘scholen’ verdeeld: een continentale en een Angelsaksische. In grote lijnen is het verschil dat de continentale filosofie zich uitspreekt over een breed terrein aan onderwerpen uit de werkelijkheid, terwijl de Angelsaksische filosofie sterker gericht is op logisch redeneren en begripsverheldering. Uitspraken over de werkelijkheid laat zij liever over aan de vakwetenschappen.

Herman Philipse, die tegenwoordig in Utrecht doceert, was een van Verbrugges hoogleraren. „Verbrugge is sterk gericht op de continentale traditie: Aristoteles, Heidegger. Mede vanuit zijn christelijke achtergrond heeft hij een sterk ethisch-maatschappelijk bewustzijn ontwikkeld.”

De ‘Angelsaks’ Philipse herinnert zich de jonge Verbrugge nog goed. „Een zeer begaafde en sociale student. Maar ook een koppige Zeeuw. Hij had heel eigen interpretaties van filosofen, en daar was hij moeilijk van af te brengen. Ik was het daar niet altijd mee eens, maar het was wel oorspronkelijk.”

Die eigenzinnigheid was de reden dat secundaire teksten – interpretaties van filosofische werken – nauwelijks Verbrugges interesse hadden. Dat is nog steeds zo, zegt Verbrugge, inmiddels op weg naar het hoogleraarschap aan de VU. „Het boeit me meestal maar matig.”

Verbrugge valt op tussen de andere studenten door zijn bezeten manier van studeren. Hij leert Grieks om Aristoteles in het origineel te kunnen lezen, en besteedt twee keer zoveel tijd aan zijn studie als de gemiddelde student. Als hij een spreekbeurt geeft, behandelt hij de stof als een volleerd docent. „Filosofie was voor mij veel meer dan wat intellectuele excercities”, verklaart hij zijn fanatisme. „Die teksten gaven mij het antwoord op vragen waar ik mee worstelde: religieuze, maar ook andere vragen.”

Verbrugges verhouding met andere studenten verloopt de eerste tijd niet zonder problemen. Aansluiting bij een studie- en gezelligheidsclubje van Jan-Willem Brouwer heeft hij niet. Brouwer: „Hij is een keer op bezoek geweest. Ad voerde de discussie direct heel persoonlijk. Eén jongen werd behoorlijk afgebrand, zo van: ‘de manier waarop jij met filosofie bezig bent kan ik niet erg serieus nemen’. Dat is – misschien niet toevallig – iemand die later onderwijsbestuurder is geworden.”

Verbrugge herinnert zich dit nog goed. Het was in het jaar van zijn tijdelijke ‘radicalisering’. Hij maakt ruzie met mensen, zondert zich af en leest als een bezetene. Van Dostojevski tot Goethe, van Kant tot Nietzsche. Op een dag krijgt hij een vakantiekaartje van vrienden. Op de voorkant een paar topless vrouwen, op de achterkant een boodschap: ‘Er is meer dan Die Kritik der reinen Vernunft.’ Dat doet voor Verbrugge de deur dicht. Beledigd door de spot waarmee zijn hartstocht wordt bejegend, zet hij een streep door een aantal vriendschappen.

Na het jaar van eenzame retraite komt Verbrugge langzaam weer uit zijn kluis en bouwt hij een nieuwe vriendenkring op. Hij ontmoet de studente klassieke talen Marijke Breeuwsma, met wie hij later trouwt en drie kinderen krijgt. Hij wordt lid van de studentenraad en neemt als vanouds deel aan sociale activiteiten. Hij krijgt een aanstelling als docent. Verbrugge gaat promoveren.

Maar een kosmopoliet is Verbrugge bepaald niet, laat Philipse weten vanuit Oxford. „Hij was vanuit Zeeland naar Zuid-Holland gekomen, en ik had het idee dat hij dat al een hele stap vond. Ik ben wat dat betreft uit heel ander hout gesneden. Ik probeer bij mijn studenten ook een internationale oriëntatie te stimuleren. Dat is bij hem maar in heel beperkte mate gelukt.”

Eén keer is Verbrugge tijdens zijn studie naar het buitenland geweest, naar Freiburg, maar hij kwam hij al vrij snel weer terug. „Hij vond het onderwijs in Leiden beter”, zegt Philipse. „Daar gaat het niet echt om, zei ik. Het gaat erom dat je uitstekend Duits leert spreken en een andere filosofische wereld leert kennen. Hoe hij bij Freiburg kwam, weet ik trouwens niet. Daar zitten voornamelijk leerlingen van Heidegger die aan de uitgave van zijn geschriften werken. Filosofisch niet zo interessant.”

Nog steeds is Verbrugge, groot liefhebber van Aristoteles, nog nooit in Griekenland geweest, verklapt Humphrey Teerlink, met wie hij al jaren in een muziekband speelt. „Daar spreekt hij zelf ook schande van.”

Verbrugge promoveert op Heidegger bij Wouter Oudemans, een man die op de faculteit bekendstaat als een uitstekend docent, maar tevens als buitengewoon moeilijk in de omgang. Een filosofisch-inhoudelijk meningsverschil leidt tot een confrontatie tussen promotor en promovendus. Verbrugge, de koppige Zeeuw, is niet van plan zich door Oudemans een visie op Heidegger te laten voorschrijven. Het leidt tot een breuk die de sfeer op de kleine faculteit dusdanig verziekt dat twee mensen overspannen worden.

Philipse: „Met Oudemans was wel vaker wat. Ik kon de humor er wel van inzien, maar mensen die daar niet tegen konden zijn inderdaad wel eens overspannen geraakt.”

Verbrugge dreigt zijn promotie te moeten beëindigen en op straat te worden gezet. Een aanbevelingsbrief van de hoogleraar Carlos Steel („mijn beschermengel”) uit Leuven is zijn redding. Verbrugge mag in Leiden blijven doceren en voltooit zijn promotie bij Steel.

In de daaropvolgende jaren groeit Verbrugge uit tot een „buitengewoon geliefde docent”, zegt Philipse. In 2002 wordt hij verkozen tot universitair docent van het jaar. Zijn colleges staan bekend om hun levendigheid en bezieling. Na afloop duikt hij met zijn studenten de kroeg in.

Sabine Bierens studeerde bij Verbrugge af op Hegel en werkt nu bij de Teldersstichting (het wetenschappelijke bureau van de VVD). „Hij creëerde een echte academische sfeer, zoals je zelden tegenkomt. Hij dreunde geen les op, maar stelde zichzelf hardop vragen, in een dialectisch proces. Wat me ook is bijgebleven, is dat hij filosofische problemen echt doorleeft. Hij stelt de essentiële vragen: wat is het goede leven, wat is waarheid, wat is vrijheid?”

Verbrugge houdt van die elementaire vragen. „Zo begin ik ook mijn colleges. Met het oproepen van dat primaire levensgevoel: je ligt ’s avonds in je bed en je voelt de kosmos overal om je heen.”

Op dit moment richt Verbrugge zijn pijlen op het onderwijs. Hij heeft met zijn echtgenote de Vereniging Beter Onderwijs Nederland opgericht. De vereniging, waaraan onder anderen de intellectuelen Paul Scheffer, Arnold Heertje en Afshin Ellian hun steun betuigen, wil de „verschraling van het onderwijs” een halt toeroepen en doet daarvoor ook concrete voorstellen.

Verbrugge heeft een luisterend oor gevonden bij Mark Rutte, staatssecretaris van Onderwijs en aspirant-VVD-leider. Ruttes idee om de overheadkosten in het budget van onderwijsinstellingen aan een maximum te binden, komt mede uit Verbrugges koker. Ook diens pleidooi voor meer ‘Begeisterung’ in het hoger onderwijs is door Verbrugge geïnspireerd. Maar onder Kamerleden is zijn invloed nog niet erg groot, zegt Thijs Jansen. „Daarvoor heb je politici met intellectuele belangstelling nodig, een type Fortuyn of Bolkestein. En het zijn voor het merendeel grijze kuddedieren. Ze zoeken liever consensus in het maatschappelijk middenveld en staan niet open voor baanbrekende ideeën.”

Jansen ziet Verbrugge nog wel eens zelf in de politiek stappen. „Hij heeft een groot retorisch talent. Hij weet een zaal te bespelen en te bezielen.”

Verbrugge staat sinds Tijd van Onbehagen bekend als een cultuurcriticus met een pessimistische inslag. Het ‘bezielend verband’, het gevoel geborgen te zijn in een gemeenschap, zou uit de samenleving verdwenen zijn. „Het is niet meer gezellig. Iedereen doet zijn eigen ding”, zei hij vorig jaar in een interview met Hugo Camps voor Elsevier.

Sabine Bierens deelt als liberaal veel diagnoses van haar leermeester niet. „Hij ziet een spirituele leegte in het liberalisme die er niet is. De mensenrechten, verdraagzaamheid, persvrijheid: zijn dat soms geen idealen? En het wegvallen van die bezieling voel ik ook niet zo.” Bierens vindt Verbrugge „wat somber” – een opvatting die meer mensen hebben.

Daar is Verbrugge het niet mee eens. „Ik stel problemen duidelijk aan de orde. Ik signaleer een trend, trek die door en zeg: dat gebeurt als we niets doen. Het is op veel gebieden vijf over twaalf.”

Herman Philipse juicht Verbrugges offensief toe. „De problemen in het onderwijs zijn buitengewoon serieus. De druk van het management, het feit dat je zelf manager moet worden als je meer wilt verdienen. Allemaal heel bedenkelijk.”

Verbrugges engagement is oprecht, meent Philipse. „Hij is zeer gehecht aan dit land. Hij publiceert ook in het Nederlands, dat is op zichzelf al bijzonder tegenwoordig. Maar ik heb de indruk dat zijn publicaties voor vakgenoten daarbij wat achterblijven. Ik hoop dat hij zich daar weer meer op gaat richten als hij eenmaal hoogleraar is.”

Zal de aard van het beestje nog veranderen op deze leeftijd? „Waarom niet? Kant begon pas toen hij over de vijftig was”, zegt Philipse. Daar kan Verbrugge een ander feit tegenover stellen. „Om me te ontwikkelen hoef ik niet in het buitenland te zitten. Kant is nooit uit Königsberg geweest.”

De website van zijn vereniging is beteronderwijsnederland.nl

    • Arnoud Veilbrief