Veiligheid gaat voor rechten van Arabieren

Arabische onderdanen van de staat Israël mogen hun jonge echtgenoten uit de Gazastrook en de bezette Westelijke Jordaanoever niet naar hun eigen land halen.

Volgens een meerderheid van het Israëlische Hooggerechtshof, dat daarover gisteren een arrest publiceerde, weegt de veiligheid van de staat zwaarder dan de hereniging van echtparen.

Sinds 2000 beperkt Israël de instroom van Palestijnen door huwelijken. Daartoe heeft het in 2002 de Wet op het Burgerschap „tijdelijk” gewijzigd. Deze wetswijziging werd aangevochten door Israëlische mensenrechtenorganisaties (joods en Arabisch), Israëlisch/Palestijnse echtparen en Arabische leden van het parlement. Een meerderheid van het Hooggerechtshof meent echter dat de schending van de constitutionele rechten van deze Arabische Israëliërs beperkt is en minder zwaar weegt dan het veiligheidsrisico.

Wie trouwt met een Nederlandse of Amerikaanse onderdaan mag zijn of haar echtgenoot wel naar Israël halen. Voor joodse onderdanen zijn er nagenoeg geen beperkingen. Volgens advocaten van de mensenrechtenorganisaties en de echtparen zijn de wet en het arrest van het Hooggerechtshof daarom „racistisch en disproportioneel”. Parlementsleden van de Arbeidspartij en Meretz zeiden „het ongelooflijk te vinden dat joodse rechters een dergelijke racistische wet in stand houden” (Knessetlid Ran Cohen). De eveneens teleurgestelde minister van Justitie, Ramon, kondigde aan binnen een half jaar met een nieuwe Burgerschapswet te komen om de „universele mensenrechten op dit gebied voor eens en altijd goed te regelen”.

Een minderheid van vijf van de elf rechters van het Hooggerechtshof, onder wie voorzitter Barak, was het met de bezwaren eens. Twee rechters wezen de petities op procedurele gronden af. Zij achtten het hof niet bevoegd te oordelen over een ‘tijdelijke’ wetswijziging. Sinds 2000 is voor zover bekend één Palestijn na vestiging in Israël via huwelijk betrokken geweest bij een aanslag.

    • Oscar Garschagen