Van de platanen, de drie huisjes en het borrelhoekje is niets over

‘Hoe zou het met Anneke zijn?” Mijn vriendin E. belt op. We praten over de watersnood in Suriname. Niet dat we altijd alle watersnoden doornemen, maar we hebben iets met Suriname. Onze gemeenschappelijke vriend M. werkte er als verslaggever (hij is er nu weer om de watersnood te ‘doen’), en toen zochten wij hem op. „Erg.” „Ja.” „Geen doden.” „O.” En dan begint E. ineens over ene Anneke. „Je weet wel, van Tang Luku”, zegt ze.

O ja, Tang Luku. Een piepklein eiland in het diepste van de middle of nowhere van de bushbush van Suriname. We kwamen er na een levensgevaarlijke rit in een ‘open bus’ en een boottocht. Op het eiland troffen we de hutjesuitbaatster van Tang Luku, die daar met een vriendin en enkele loslopende kinderen woonde. Ze heette Anneke. Anneke vonden wij een aparte naam voor een bosnegerin met alleen een rokje aan, maar ze heette echt zo.

De locatie was nog exotischer omdat wij er Nederlands spraken. Mijn vriend M. ontwikkelde na een paar uur een eigen communicatievorm met Anneke – versimpeld Nederlands met gebaren. Als hij een platanenkoekje kreeg, zei hij: ‘Mmmmmm, An-ne-ke’, (met vlakke hand rondjes draaiend over buik) ‘Lekkerrrrr.’ Dit zei hij regelmatig, want we aten alleen platanenkoekjes. Daarbij dronken we Bacardi, want we hadden geleerd om waar we ook heen gingen, stevige hoeveelheden Bacardi mee te nemen. Samen met Anneke en haar vriendin (de status van hun relatie was onduidelijk, maar in ieder geval waren er geen mannen – zoals vaker in Suriname waren die spoorloos) zaten we elke avond op plastic stoelen te borrelen. Ik speelde met de kinderen, die een vreemd zoetig geurtje hadden. Die geur merkte ik pas op toen ik terug in Nederland was, en al mijn kleren naar die kinderen bleken te ruiken.

Na een paar dagen was de Bacardi op en gingen wij terug naar Paramaribo. Later zeiden we af en toe nog ‘Mmmmmm, An-ne-ke.’

Zoals altijd bij rampen zijn juist de allerarmste middle of nowhere-hutjes weggespoeld. Van de platanen, de drie huisjes en het borrelhoekje is, weet ik zeker, niets over. Waarschijnlijk is heel Tang Luku weg. Ik ga al die mensen die na de tsunami uitgelaten riepen: ‘Ik heb voor het eerst van mijn leven geld gestort! Leuk was dat!’ overtuigen om dat nog een keer te doen. Voor An-ne-ke en andere bosnegers met onverwachte namen.

    • Aaf Brandt Corstius