Parijs (1)

Na vier dagen Parijs koop ik gistermiddag op het Gare du Nord het dagblad Libération en tref daarin een artikel aan over Neelie Kroes, „la commissaire européenne néerlandaise soupçonnée de corruption”. Zes uur later, ik heb nog amper een voet in Nederland gezet, kom ik tot de ontdekking dat Libération nu een vervolgartikel kan schrijven over een vriendin van Kroes, die ook ergens soupçonnée van is, namelijk van ‘identiteitsfraude’.

Kan Ayaan Hirsi Ali wel in de Tweede Kamer blijven? Met die vraag blijkt half Nederland te hebben geworsteld, terwijl ik me in Parijs liep te amuseren. De wereld is vol ongelijkheid.

Ik zou zeggen: laten we het praktisch benaderen met de vraag: zit ze nog wel in de Tweede Kamer? Ze schrijft boeken en maakt films en reist voortdurend over de hele wereld om haar producten te promoten – allemaal in de tijd van de Tweede Kamer, maar niet in de Tweede Kamer. De VVD heeft omwille van de lieve, interne vrede allang stilzwijgend met haar afgesproken dat ze zich zo min mogelijk in de Tweede Kamer vertoont – laten we ons daar maar bij aansluiten, scheelt een hoop gedoe.

Nu iets aangenamers: Parijs.

Het was er warm, druk en vol, maar het blijft voor de toerist de prettigste stad van de wereld. Waar ligt dat aan? Ik heb meer met de Angelsaksische cultuur dan met de Franstalige, maar toch kom ik liever in Parijs dan in Londen. Parijs tilt je op, Londen drukt je neer. Vooral in de lente. Parijs is een wandelstad. Er is overal wel iets bijzonders te zien en je hoeft nooit vertwijfeld naar een goed café, restaurant of terras te zoeken om te bekomen van de inspanningen.

De straten van Parijs ademen een aangenaam soort historisch besef, waar veel andere steden zich voor lijken te schamen. In gevels zie je vaak plaquettes ter herinnering aan mensen die ooit hun verdiensten voor de Franse samenleving hebben gehad. Van sommigen heb ik nooit gehoord, zoals van Victorien Sardou, ‘auteur dramatique’, die in de Rue Beautreillis geboren is en daar daarom voor de rest van de eeuwigheid met zijn naam op nummer 16 mag blijven hangen.

Op dezelfde wandeling kom ik ook langs Beaudelaire, die in 1842 en 1843 aan de Quai de Béthune woonde met vorstelijk uitzicht op de Pont de Sully over de Seine. En wie woonde een paar huizen verderop? Van 1969 tot aan zijn dood in 1974? Pompidou, ach Georges Pompidou, premier en president van Frankrijk – nu al weer ruim dertig jaar dood. Ik zou hem onmiddellijk herkennen als hij hier de hoek van de straat kwam omgeslagen, een corpulente man met een grote neus in een vlezig gezicht. Zou er ook al zo’n naambordje hangen op het vroegere woonhuis van Joop den Uyl in Buitenveldert?

In een café op de Pont Neuf hangt Simenon met een gesigneerde foto aan de muur. Hier kwam hij vaak zijn wijntje drinken. Om de hoek, aan de Place Dauphine, woonde Yves Montand. Er hangt geen bordje, maar dat zal nog wel eens gebeuren. Montand ging vaak eten bij zijn buren, Chez Paul, een restaurant dat nog altijd bestaat – en terecht, zoals we ’s avonds kunnen constateren.

Wandelen door Parijs is op een vrolijke manier dwalen tussen doden. Misschien een goede oefening voor later?

    • Frits Abrahams