Nog steeds kritiek op inburgering

De Kamer wil dat het nieuwe inburgeringsstelsel snel wordt ingevoerd. Maar er zitten grote hiaten in de wet, blijkt uit een analyse.

Er ging een jaar juridisch gesteggel aan vooraf. Maar in september vorig jaar diende minister Verdonk (Integratie, VVD) eindelijk haar voorstel voor een nieuwe Wet op inburgering in Nederland in bij de Tweede Kamer. Die wet dwingt een half miljoen migranten om binnen vijf jaar een burgerschapstoets af te leggen. Maar de wet is nog steeds niet af, concludeert het adviesbureau BMC in samenwerking met de Rijksuniversiteit Groningen in een nog vertrouwelijke analyse van de uitvoeringsrisico’s. De hiaten hebben betrekking op juridische (rechtsongelijkheid van migranten), technische (nog niet voltooide automatisering van gegevens van potentiële inburgeraars) en principiële zaken (ontbreken van verweer tegen de uitslag van de inburgeringstoets). Ook is de financiële onderbouwing van de wet „onvoldragen”.

De voorgeschiedenis: eerst floot haar eigen adviesraad, de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken, Verdonk terug. De commissie vond dat de minister een ontoelaatbaar onderscheid maakte tussen autochtone en genaturaliseerde Nederlanders, en Antillianen en Arubanen. De commissie adviseerde haar niet naar nationaliteit of geboorteplaats te kijken, maar iedereen die minder dan acht jaar in Nederland heeft gewoond gedurende de leerplichtige leeftijd inburgeringsplichtig te maken. Dat vond de Raad van State weer discriminerend. De minister zag daarna af van een brede inburgeringswet en richt zich nu op alle vreemdelingen in Nederland – migranten die niet de Nederlandse nationaliteit hebben. Nederlanders die buiten de EU zijn geboren en genaturaliseerde Nederlanders (312.000) hoeven niet in te burgeren. Ze maakt wel een uitzondering voor uitkeringsgerechtigden, geestelijk leiders en opvoeders van kinderen, ondanks de juridische ongelijkheid. „Juist deze allochtonen kampen met grote achterstanden die hun integratie in Nederland hinderen”, aldus de minister.

Met name over de juridische rechtvaardiging van die rechtsongelijkheid heeft de Kamer het afgelopen half jaar in twee rondes uitvoerig met de minister gediscussieerd. Dat is uitzonderlijk want meestal vindt er maar één vragenronde plaats over een wetsvoorstel. Omdat juristen elkaar tegenspreken over de toelaatbaarheid van die rechtsongelijkheid en de maatschappelijke urgentie van inburgering van migranten groot is, vindt ook de Kamer nu , aldus het Kamerlid Sterk (CDA), „dat we maar moeten afwachten of de rechter in dit land er wellicht anders over denkt.”

En de rest van de uitvoeringsrisico? Op initiatief van het Kamerlid Dijsselbloem (PvdA) werd eerder dit jaar een analyse van de uitvoeringsrisico’s van de wet gevraagd. Maar regeringspartijen CDA, VVD en D66 eisten dat dit niet tot nieuwe vertraging mocht leiden. Het wetsvoorstel moet nog voor de zomer in de Kamer behandeld worden, anders lukt het waarschijnlijk niet om het stelsel per 1 januari 2007 in te voeren. Die analyse wordt morgen aan de Kamer aangeboden en dan wordt beslist of er een nieuwe vragenronde komt met de minister.

„We staan voor een moeilijk dilemma”, aldus Sterk. „Er kleven aan de inburgeringswet nog steeds te veel risico’s.” Maar ze vindt „langer uitstel gezien de maatschappelijke urgentie niet gewenst”.

    • Froukje Santing