Expositie over opgravingen Geraki smetteloos, maar saai

Eendenkop van been of ivoor, decoratie van een houten voorwerp. Geraki, 6e eeuw v. Chr. Beeld Allard Pierson Museum Allard Pierson Museum

Tentoonstelling: Geraki: voorbeeld van een opgraving. Allard Pierson Museum, Oude Turfmarkt 127, Amsterdam. T/m 18 juni, di-vr 10-17u, za en zo 13-17u. Inl. 020 525 2556 en cf.uba.uva.nl/apm.

De tentoonstelling Geraki - een voorbeeld van een opgraving komt op een goed moment. Terwijl Amerikaanse musea als het Getty en het Metropolitan Museum in verband worden gebracht met roofkunst en illegale handel, toont het Allard Pierson Museum in Amsterdam oudheden zonder luchtje.

Bij de bijschriften ontbreken veelzeggende omschrijvingen als ‘herkomst onbekend’ of ‘uit privé-collectie’. Alle voorwerpen komen uit Geraki, nu een 1600 inwoners tellend boerendorp op de Griekse Peleponnesos, 26 kilometer ten zuidoosten van Sparta.

Dit weten we, omdat de tentoongestelde scherven, potjes, zaden en bronzen spelden door archeologen daar zijn opgegraven. Voor een deel door Britten, die in 1905 enkele proefsleuven hebben getrokken, maar de meeste vondsten zijn gedaan door archeologen van de Universiteit van Amsterdam. Zij hebben van 1995 tot en met 2005 zesduizend jaar lokale bewoningsgeschiedenis, van de steentijd tot de moderne tijd, onderzocht.

Aanleiding voor de tentoonstelling is het emeritaat van hoogleraar Joost Crouwel, die de opgraving leidde. Zijn afscheid valt samen met dat van zijn collega en concurrent Herman Brijder, die tevens directeur van het Allard Pierson was. Tijdens hun tweestrijd om het directeurschap, twintig jaar geleden, verkondigde Crouwel dat hij, mocht hij directeur worden, geen voorwerpen zonder bekende herkomst zou aankopen. Alleen zo kon hij er zeker van zijn dat ze niet het resultaat waren van een illegale opgraving, zonder wetenschappelijke context.

Crouwel zal dan ook wel gruwelen van Philip de Montebello, de directeur van het Metropolitan in New York. Kort nadat die beloofd had om Italië de, waarschijnlijk illegaal opgegraven, Euphronioskrater terug te geven, bagatelliseerde hij in de New York Times het wetenschappelijk belang van de context van een vondst. Vrijwel alle kennis over Grieks aardewerk, stelde hij, was gebaseerd op de studie van vazen zonder herkomst. Het enige dat we niet weten, is wat de Griekse schilders aten, voegde hij er honend aan toe.

De kleine tentoonstelling in het Allard Pierson was een uitgelezen kans geweest om te laten zien hoeveel meer een wetenschappelijke opgraving toevoegt aan kennis van het verleden, juist omdat de archeologen de vondsten hier wèl in een context kunnen plaatsen. Die kans wordt gemist. De tentoonstelling is droog – met lange stukken tekst op de wandborden – en voor het publiek vaak onbegrijpelijk. Wat moet een doorsnee bezoeker met de vakterm ‘light painted’ zonder verdere uitleg? Mag je verwachten dat hij begrijpt wat de vondst van een bronzen beeldje van een akoliet van Mithras betekent? Maakt het hem iets uit of een vondst ‘Vroeg-Helladisch I’ of ‘II’ is?

Of neem de munten. Typisch voorwerpen die je vaak zonder context in de kunsthandel tegenkomt. Hier wordt wel vermeld dat in Geraki één bronzen en 53 zilveren munten één muntschat vormden, maar de bezoeker blijft met de vraag zitten wat de vondst van Griekse munten uit het Egypte van de derde eeuw voor Christus in een plaats in Laconië betekent.

    • Theo Toebosch