Examenonderwerpen in de draaideur

Over de keuze van eindexamenonderwerpen vergaderen veel deskundigen.

De geschiedenisthema’s worden willekeurig genoemd.

Goed nieuws voor vwo-scholieren die niet warmlopen voor grafen en matrices, basisonderdelen van het vak wiskunde A1: ze krijgen er geen vragen over op het eindexamen, dit jaar.

De beslissing om een onderdeel van de lesstof niet in het eindexamen op te nemen, wordt niet zomaar genomen. In de ideale situatie, zegt voorzitter Marian Kollenveld van de Nederlandse Vereniging van Wiskundeleraren, zouden alle programmaonderdelen van het vak wiskunde A1 óók in het eindexamen voorkomen.

Zelf zat ze, samen met andere leraren, lerarenopleiders en hoogleraren, in de commissie die het wiskundeprogramma voorstelde bij de invoering van de tweede fase, in 1998. Dat programma werd ook ingevoerd.

Maar al snel volgden klachten: het was te zwaar. Toenmalig staatssecretaris Adelmund van Onderwijs (PvdA) besloot het programma lichter te maken: op het examen werd niet naar alle onderdelen gevraagd.

De grafen en matrices zijn sindsdien een „draaideuronderwerp”, zegt Kollenveld. Soms zitten ze erbij, soms niet. Nu eens wordt besloten dat er alleen op het centraal schriftelijk examen naar wordt gevraagd, dan weer alleen op de schoolonderzoeken.

De gang van zaken bij wiskunde A1 is exemplarisch voor de vaststelling van eindexamenstof bij alle vakken. De samenstelling daarvan begint en eindigt bij de minister van Onderwijs, op dit moment Maria van der Hoeven (CDA). De minister stelt vast over welke ‘domeinen’ – lesstofonderdelen – het examen moet gaan. Voor het vaststellen van die domeinen vraagt het ministerie advies aan de lerarenverenigingen.

Nadat de domeinen zijn vastgesteld, buigt de Centrale Examencommissie Vaststelling Opgaven (CEVO) zich over een opdracht voor het Cito, de uiteindelijke examenmaker. De CEVO-secties bestaan uit een wetenschapper en twee of drie ervaren leraren. Zij bekijken of onderwerpen examineerbaar zijn: zijn de examens van het juiste niveau en de juiste lengte.

Op basis van de opdracht van de CEVO gaat het Cito aan de slag met het verzinnen van concrete opgaven. De Cito-groepen bestaan uit een aantal leraren, onder leiding van een Cito-medewerker. Nadat de vragen zijn gemaakt, bekijkt de CEVO ze nog een keer.

Maar de procedure van het vaststellen van de examenstof tot het eindresultaat met concrete examenopgaven, is niet voor ieder vak hetzelfde. „Elk vak heeft zijn eigen folklore”, zegt Marian Kollenveld van de vereniging van wiskundeleraren.

Vooral het vak geschiedenis onttrekt zich aan de normale gang van zaken. Dat komt door de manier waarop het examen is ingericht, met de overhoring van twee roulerende thema’s. Dit jaar zijn dat ‘dekolonisatie en Koude Oorlog in Vietnam’ en ‘volksopvoeding via het onderwijs in Nederland 1780-1920’.

Deze keuze komt voort uit zes door het ministerie vastgestelde domeinen. Voor dit jaar is besloten dat de examenthema’s moesten passen binnen ‘internationale betrekkingen en oorlogvoering’ en ‘primaire samenlevingsverbanden en opvoeding’. De twee geschiedenisthema’s gaan altijd twee jaar mee. Vietnam was vorig jaar ook al een van de thema’s. De volksopvoeding zal dat volgend jaar nog zijn.

Dit concept is omstreden. „Het is op dit moment niet duidelijk waarom leerlingen juist iets van deze twee onderwerpen moeten weten”, zegt Arie Wilschut, werkzaam bij het instituut voor geschiedenisdidactiek. „Ook dit jaar vind ik de twee thema’s te willekeurig.”

Wilschut was lid van de commissie-De Rooy, die met een voorstel kwam voor een andere invulling van het geschiedenisonderwijs. Op dit moment leidt hij een proef op basis van de voorstellen van deze commissie: de havo-leerlingen van acht scholen hoeven zich niet te verdiepen in Vietnam en de Nederlandse onderwijswetten, maar worden in plaats daarvan geacht iets te weten over de hele linie van de wereldgeschiedenis. Komend najaar wordt besloten of de voorstellen van de commissie-De Rooy algemeen worden ingevoerd.