De ernst van het borduren

Tentoonstelling: Geborduurd. T/m 4/6 in het Textielmuseum, Goirkestraat 96, Tilburg. Di t/m vr 10-17u, za en zo 12-17u. Inl: 013-5494564, www.textielmuseum.nl.

Borduren is weer helemaal in. Dat zeggen de bladen, en het Textielmuseum zegt hetzelfde. Als bewijs bracht het museum ruim dertig bordurende kunstenaars samen in een tentoonstelling. De bladen raden lezers aan bloemen te borduren, maar bij bordurende kunstenaars ligt zulke vrolijkheid altijd wat moeilijker.

De ernst van het borduren stamt uit de jaren zestig, toen feministische kunstenaars de verstikkende werking van het vrouwelijk rolpatroon gingen verbeelden in textiel. Je kon ook schilderen en beeldhouwen, maar dat waren vakgebieden die al eeuwen door mannen werden gedomineerd. Boks daar maar eens tegenop.

Textiel was een vrijhaven waar vrouwen net zoveel kansen hadden, of zelfs iets meer. Kunstenaars als Anna Verschuure gaven stereotiepe kleedjes een agressieve of seksuele ‘bite’: subtiele ingrepen voor een optimaal ontregelend effect.

Nu we weer een feministische golf verder zijn, borduren ook mannen in deze beeldtaal van tegenstellingen. Zo exposeert Tom Heerschop een wandkleed van een keurig gezin, dat bij nadere inspectie een chaotische wirwar van wilde vormen blijkt te zijn. En natuurlijk ontbreekt Berend Strik niet: hij oogstte tien jaar geleden al veel succes door keurige borduurgarens op harde pornofoto’s los te laten – eigenlijk raakte juist toen borduren ‘in’ in de kunst, meer dan nu.

Emoties smoren in superbraaf materiaal – in dat spanningsveld vindt veel textielkunst zijn kracht. Dat had een leidraad kunnen zijn van Geborduurd, maar het Textielmuseum heeft er bewust voor gekozen om de diversiteit van de geborduurde werken te onderstrepen. Van aangeklede modepoppen, tasjes, sieraden en wandkleden tot op keramiek prijken de stiksels en mobiele sculpturen: je kunt het zo gek niet verzinnen of het is geborduurd en in de tentoonstelling te zien.

Het is niet de eerste keer dat het museum textielkunst wil emanciperen met opsommingen van wat er allemaal wel of niet kan met het materiaal. Voor de kunstenaars is dat geen doel, maar een middel. Dat gegeven komt hier niet helemaal tot zijn recht. De inhoud van kunst slaat dood als een tentoonstelling zich bijna alleen op de techniek richt.

Vlak voor het eind van de tentoonstelling wordt bewezen dat het ook anders kan. Op een afdeling ‘lapjes’, om het wat oneerbiedig uit te drukken, hangt eigentijds en ouder werk in vitrines. Met aandoenlijke precisie borduurde in 1892 een dertienjarig meisje voor haar opleiding tot naaister alfabetten en bijbelspreuken op haar letterlap. Deze ligt tussen wit linnen dat hedendaagse vormgevers precies zo nauwkeurig bezoedelen, met geborduurde wijnvlekken of noodkreten. ‘Parlez moi’, borduurt Suska Mackert; ‘hete tranen’, schrijft Manon van Kouswijk. In dit gezelschap gebeurt meer dan kruissteken laten zien. Hier valt een snik, waardoor zo’n lap uit 1892 verandert van een proeve van kunnen in de voorbode van een keurslijf – hoewel we het meisje niet meer kunnen vragen hoe zij dat zag.

Het is een mooi thematisch hoekje van de tentoonstelling geworden, over stil verdriet. Jammer dat het maar zo piepklein is.