Bleekneusjes

De afgelopen twee weken heb ik in deze rubriek gekeken naar taalboekjes waar Nederlanders gebruik van maakten om met hun bevrijders te kunnen praten. Maar Nederland is niet alleen door anderen bezet, wij zijn zelf ook bezetters geweest – onder meer van Nederlands-Indië. En natuurlijk trokken ook ‘onze jongens’ er met taalgidsjes op uit om zich ter plekke beter verstaanbaar te kunnen maken.

Zonder twijfel zijn er verschillende boekjes geweest, maar ik bezit slechts het Zakwoordenboek Nederlandsch, Maleisch, Engelsch dat in 1945 werd verstrekt aan het Koninklijk Nederlandsch Indisch Leger. Dit boekje is mede samengesteld door N. Helsloot, indertijd hoofd van de Maleise afdeling van de ‘Netherlands Indies Government Information Service’ te Melbourne.

In het korte voorwoord schrijft de ‘De Legercommandant’: „Het zakwoordenboek is in het bijzonder bestemd voor de uit Nederland afkomstige troepen, aangewezen om aan de bevrijding van Ned.-Indië mede te werken.” Interessant is hier het woord bevrijding – zoals bekend keken nationalistische Indiërs daar heel anders tegenaan.

En, kwamen de Jantjes met allerlei zinnen op de proppen die de inheemse bevolking moesten overtuigen van hun goede bedoelingen? Nee, dit zakwoordenboekje bevat drie algemene woordenlijsten, met telkens een andere taal als ingang, gevolgd door de afdeling ‘Leger en vloot’.

Die laatste afdeling maakt volstrekt duidelijk wat de legerleiding verwachtte: een bittere strijd. Onze jongens konden in dit woordenboekje opzoeken hoe zij ‘antitankgeschut’, ‘veldslag’ en ‘verwoesten’ in het Maleis en Engels moesten zeggen. We hebben hier te maken met een heus oorlogswoordenboekje, dat tevens de vijand vermeldt, namelijk: de Japanees. Zo staat het er, dus niet Japanner.

Er is nog een taalboekje uit de Tweede Wereldoorlog waar ik (om het onderwerp af te ronden) melding van wil maken, alleen al omdat het – voorzover ik kan nagaan – in Nederland in geen enkele openbare collectie bewaard is gebleven. In september 1945 vertrok Nelly Lenselink met vijfhonderd andere kinderen uit Rotterdam naar Engeland om bij te komen van de hongerwinter. In een kamp bij Hull, waar zij twee maanden verbleven voordat zij in gastgezinnen werden ondergebracht, kregen deze zogenoemde bleekneusjes een boekje getiteld Hoe zeg je dat in ’t Engelsch?, samengesteld door René en Ruth Salm.

Je kunt je voorstellen dat dit boekje grote indruk maakte op de elfjarige Nelly, want in de afdeling ‘Burgerlijk oorlogsvocabulaire’ staan allerlei alarmerende zinnetjes, zoals „Vlug, naar de dichtstbije schuilkelder!”, en „De vijand gebruikt brandbommen; waar zijn de zandzakken, je emmers met water en je voetpomp.”

De fonetische notatie van deze zinnetjes doet nu nogal komisch aan (Koe’ík, toe ze nié-rist sjélter! – Quick, to the nearest shelter), maar de inhoud is en blijft dreigend. Waarom kregen kinderen vier maanden ná de oorlog nu juist dit boekje uitgereikt?

Waarschijnlijk omdat er zo snel niks anders voorhanden was. De eerste druk van het boekje van het echtpaar Salm was in juni 1942 verschenen. Het verbaasde mij dat er toen in Londen een markt was voor A Dutch-English Phrase Book met oorlogsvocabulaire, maar kennelijk was dat het geval, want het boekje beleefde in drie jaar tijd vijf herdrukken. Het zal de bedoeling zijn geweest dat de bleekneusjes vooral iets opstaken van de andere afdelingen in het boekje, met alledaagse zinnetjes als Hou matsj is it ol-toe-gézzer?

De kans lijkt mij groot dat de Afghaanse variant van die zin in het woordenlijstje komt dat het ministerie van Defensie momenteel aan het samenstellen is voor de Nederlandse missie naar Uruzgan.