Zwitsers snappen biotech wel

Waarom zijn Zwitsers goed in geneesmiddelen? Netwerken, zeggen ze in Zwitserland. Want de constante innovatie moet het daarvan hebben. Het land heeft intussen de hoogste dichtheid aan biotechnologiebedrijven ter wereld.

Een laborant in het instituut voor tropische ziektes van het Zwitserse Novartis in Singapore toont een petrischaal waarmee men een medicijn hoopt te ontwikkelen tegen knokkelkoorts. Foto Bloomberg A researcher at the Novartis Institute for Tropical Diseases displays a petri dish being used in the Singapore institute's quest to develop an anti-viral drug to fight dengue on Monday, August 29, 2005. The institute is a joint project between Swiss pharmaceutical Novartis and Singapore's Economic Development Board. Singapore said it's stepping up efforts to fight dengue fever, which infected a record number of people last week and has already killed eight people this year, as many as it claimed in all of 2004. Photographer: Jonathan Drake/Bloomberg News BLOOMBERG NEWS

Karl-Heinz Krause, een Duitse hoogleraar in de ‘biologie van het ouder worden’ aan de universiteit van Genève, is een van de ontdekkers van de zogeheten Nox-enzymen. Die enzymen maken bepaalde superoxyden aan, die vrije radicalen produceren, die weer ziektes als Alzheimer en infarcten veroorzaken. Baanbrekend. Nature en Science hebben erover gepubliceerd. Maar toen Krause (48) in 2001 met een Japanse en Amerikaanse collega een bedrijfje wilde oprichten, keken geldschieters hem glazig aan. Superoxyden? Nox? „Het waren dovengesprekken”, vertelt Krause. „Ik zei dat ik medicijnen wilde ontwikkelen tegen Alzheimer en andere ziektes die vaker voorkomen nu mensen almaar ouder worden. Maar investeerders willen weten wát voor medicijnen. En hoe die werken. Maar om dat te weten, moest ik eerst mijn bedrijfje hebben. Dit wordt niks, dacht ik.”

Maar zie, nu heeft hij dat bedrijfje toch: Genkyotex (verwijzend naar Genève, Kyoto en Texas), met vijf mensen in dienst. Dat komt doordat er in 2002, met Zwitsers overheidsgeld, een organisatie werd opgericht die een brug slaat tussen wetenschappers met een goed maar vaag idee en investeerders en de farmaceutische industrie. Die organisatie, Eclosion, moest biotechbedrijfjes helpen opzetten. Grote Zwitserse farmaciebedrijven als Novartis en Roche zijn steeds afhankelijker van innovatieve medicijnen die biotechbedrijfjes ontwikkelen. Als ze daar wat in zien, kopen ze die bedrijfjes op of gaan ze met hen samenwerken. Eclosion moet Zwitserse farmacieconcerns dus in de mondiale voorhoede houden – een positie die ze al ruim honderd jaar innemen.

Wie zich afvraagt waarom de Zwitsers zo goed zijn in farmacie en biotechnologie, vindt in Krauses verhaal een deel van het antwoord. Incubatoren als Eclosion vind je in andere landen ook. Ook in de VS, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk is de biotech booming. Beginnende bedrijfjes komen er, net als in Zwitserland, redelijk gemakkelijk aan startkapitaal. Grote farmaciebedrijven jagen ook daar op geneesmiddelen die deze bedrijfjes ontwikkelen. Maar als je ingewijden vraagt waarom Zwitserland ook in deze moderne fase van de farmaceutische wedren voorop blíjft lopen (anders dan bij voorbeeld Duitsland, dat uit de internationale kopgroep is verdwenen), zeggen ze allemaal: het is de bedding, de context.

Wij hebben geen grondstoffen en geen vlak land, zegt Stefan Brupbacher van de denktank Economiesuisse in Zürich. „We worden niet rijk van olie, landbouwexport of massaproductie. Dat dwingt ons om ons te specialiseren. We maken geen goedkope horloges, maar ingenieuze uurwerken waar mensen extra voor willen betalen.”

Men gaat in Zwitserland zo te werk: wetenschappers, farmaceutische bedrijven, geldschieters en de overheid slaan de handen ineen om mensen als Krause te stimuleren om hun kennis te gelde te maken. Al die partijen werken, meer dan elders, in tandem om innovatie te bevorderen. Nobelprijswinnaars adviseren farmaceutische bedrijven. Farmaceutische bedrijven zitten, samen met durfkapitaal-specialisten, in overheidscommissies en bestuursraden van technische universiteiten. Iedereen lijkt hier een dubbele pet op te hebben. De netwerken dienen maar één doel: constante innovatie. Want daar moet het land het van hebben.

In de toptien van de internationale ‘Big Pharma’ staan twee Zwitserse bedrijven: Novartis en Roche, allebei uit Basel. Min of meer toevallig werd in Zwitserland de farmaceutische industrie geboren (zie: ‘Sinds 1900’). Dat die industrie nu nog toonaangevend is, is minder toevallig.

Neem de Zwitserse test voor gekkekoeienziekte die wereldwijd gebruikt wordt. Wetenschappers van de universiteit van Zürich zetten eind jaren negentig met overheidssteun het bedrijfje Prionics op om zo’n test te ontwikkelen. Toen de Europese Unie in 2001 besloot om systematisch rundvlees te testen op de ziekte, had Prionics de technologie klaar. Roche, dat in het netwerk rondom Prionics zat, maakte er een handzaam product van.

Eind 2004 waren er in Zwitserland 113 pure biotechbedrijven (tegen 80 in Nederland met ruim tweemaal zoveel inwoners), en 90 bedrijfjes die hun apparatuur leverden. Volgens een rapport van Ernst & Young heeft Zwitserland de hoogste dichtheid aan biotech-bedrijven van alle landen ter wereld.

„Dat is niet altijd zo geweest”, zegt Oreste Ghisalba van Novartis, die hoofd is van het Swiss Priority Program (SPP), een overheidsinstelling voor de bevordering van biotechnologie. „Britten, Amerikanen en Canadezen waren beter in biotech dan wij. Er ging veel kapitaal naartoe. Ook van overheden. Maar u weet hoe het gaat met start-ups: je kunt er veel geld instoppen, de meesten redden het niet.” Wat de Zwitserse overheid doet is minder spectaculair, vindt Ghisalba, maar wel effectiever. „In Duitsland krijgen wetenschappers een klap geld en moeten ze maar zien of ze het redden. Maar dat kunnen die lui helemaal niet! Wij geven ze training en advies en kijken niet achteraf wat ervan komt, maar evalueren ze constant. Zo behoed je velen van de ondergang. De sector is in Zwitserland al vier jaar winstgevend. Dat kun je in veel andere landen niet zeggen.” Volgens hem is dit typisch Zwitsers. „We gooien geen geld over de balk. We gaan voor kwaliteit. Het duurt even voor je resultaat hebt. Maar uiteindelijk win je.”

Daarbij speelt meer. Zwitserland is een van de rijkste landen ter wereld. En geld is belangrijk: het duurt twaalf tot vijftien jaar om een medicijn te ontwikkelen. Dat kost minimaal 660 miljoen euro per medicijn. Zwitserland is bovendien viertalig en heeft altijd veel buitenlanders aangetrokken. In Basel en Zürich zijn grote expatgemeenschappen. Eén op de vijf inwoners van Zwitserland is van niet-Zwitserse afkomst, in Genève zelfs 43 procent. Dat maakt het voor farmaceutische en biotechbedrijven gemakkelijk om deskundigen aan te trekken. „30 procent van de hoogleraren in de levenswetenschappen”, zegt Ghisalba, zelf tweede generatie Italiaans allochtoon, „is buitenlander. Dat is meer dan in andere landen.”

Clusters oefenen aantrekkingskracht uit, zegt Xavier Comtesse van de denktank Avenir Suisse. „Met farmacie en biotechnologie in Basel, Zürich en Genève is het net als met de high finance in Londen: als je iets wilt betekenen, moet je in zo’n cluster zitten. Alléén werken verhoogt de kans op mislukking. Daarom is het Lyon niet gelukt om een biotechcentrum te worden.”

Clusters hebben is één ding. Maar ze houden en uitbouwen, is vers twee. En daar komt de overheid om de hoek kijken. Volgens hun critici zitten Zwitserse ambtenaren en politici te veel gevangen in de farmaceutische lobby. Maar als je het vanuit de industrie zelf beziet, biedt die verstrengeling voordeel. Het land heeft naast goede patentregelingen lage belastingtarieven waarover altijd te onderhandelen valt. Zwitserland steekt bijna 3 procent van het bbp in onderzoek, waarmee het met Japan, Zweden en de VS tot de wereldtop hoort. Veel van dat geld gaat naar de farmaceutische hoek, terwijl Japan en de VS het over meer industrieën verdelen. Hoewel 80 procent van het startkapitaal voor Zwitserse start-ups van particuliere investeerders komt – meer dan elders – helpt de overheid mee om dat geld los te krijgen. Zo jaagt Benoît Dupuis, mededirecteur van Eclosion en decaan bij de École Polytechnique in Lausanne (weer zo’n dubbele pet), mede gefinancierd door de staat, de hele dag op geldschieters.

Ten slotte doet de overheid veel publieksvoorlichting. „In een land waarin constant referenda worden gehouden, moet je steun van het volk hebben”, zegt Domenico Alexakis, directeur van de Swiss Biotech Association in Zürich. „Zwitsers zijn positiever over stamcelonderzoek en dergelijke dan andere Europeanen. Ze stemmen bijna altijd ja. Onderzoekers en bedrijven voelen zich hier veilig.” In Groot-Brittannië, het grootste biotechland in Europa, zijn tegenstanders van genetische manipulatie en dierenrechtenactivisten veel vocaler.

Karl-Heinz Krause had naar Duitsland kunnen gaan. „Daar krijg je zó een miljoen startkapitaal. Ik heb ook over Japan of Amerika gedacht, waar mijn collega’s werken. In Zwitserland moet je meer praten, papieren invullen. Maar als je daar doorheen bent, word je nergens zo goed begeleid als hier.”

    • Caroline de Gruyter