Voetbal op de schaal van Richter

1343

Op het omslag van Ons Amsterdam, maandblad over het heden en verleden van de hoofdstad, het meinummer, staat een foto uit 1950, gemaakt door Sem Presser. In een keurig voortuintje, nette buurt, staan acht kinderen in ouderwets badpak. Het oudste, een meisje van een jaar of veertien, richt de tuinslang op een voorbijganger. Deze ook al keurige meneer probeert met beide handen de straal af te weren; een voltreffer op zijn hoofd. Het is vooral een goeiig plaatje. Het verwijst naar een artikel van de historicus Hugo Röling, Vetes en knokpartijen. Tussen straatschenderijen en straatterreur. Een erudiet, zeer leesbaar verhaal over belletje trekken, grote vechtpartijen, vandalisme en zinloos geweld. Was het vroeger minder erg? De schrijver geeft een genuanceerd antwoord. In de tijd van Jacob Olie (1834-1905) gebeurde het al dat leraren door schooljongens mishandeld werden. „Dat het vroeger niet voorkwam is echt een misverstand.”

Een van de beste manieren om het heden te beoordelen, is je voor de geest te halen wat je zelf vroeger gedaan hebt – op alle gebieden. Veel gevochten? Ook groepsgewijs? U te buiten gegaan aan ongeremd vandalisme? Zomaar eens een bord of een fles kapot gesmeten? Steen door een ruit gegooid? U bent niet verplicht dat nu allemaal aan de grote klok te hangen, en evenmin de wandaden van de jeugd van nu door de vingers te zien omdat u zelf ook zo’n lieverdje niet was. Het gaat om de relativering van het apodictische vroeger was alles beter.

Op weg naar de openbare lagere school moest ik langs een christelijke lagere school. Een smal trottoir dat dan bezet werd gehouden door een drom kleine boerenkinkels op klompen. Zagen ze het ventje dat ik was aankomen, dan verdichtte zich de massa. Een christenleerling in de voorhoede maakte al een gebaar alsof hij een klomp uittrok. In die buurt was de klomp het meest gebruikelijke wapen van de kleine christenen. Deze laffe agnost stak voor alle zekerheid over en trotseerde onbeschadigd het hoongelach aan de andere kant van de straat. Veel vuistgevechten heb ik als kind niet geleverd. Wel veel katapulten gemaakt. Ook in de kinderwereld is er al de aanzet tot een bewapeningswedloop.

Jongeren van nu, de vechtersbaasjes en vandalen, zijn vaker geneigd de schuld aan ‘de maatschappij’ te geven. Er is niet genoeg geweldloos vertier, er is gebrek aan voetbalveldjes, en dan gaan ze vanzelf hangen op hun hangplekken, en van hangen komt modern kattenkwaad. Deze klacht is niet zonder grond. Op ouderwetse kermissen werd het vandalisme gereguleerd. In een tent die De Vrolijke Keuken heette, kon je voor een klein bedrag wat aardewerk kapot smijten. I love the sound of breaking glass, zong Nick Lowe in de jaren zeventig. Op Amerikaanse kermissen had je een attractie, Hit the Man of Distinction, dat was iemand in rubber smoking naar wie je met modderballen kon gooien. Misschien zou een jonge starter in deze tijd er opnieuw furore mee maken. Op Coney Island is een instelling, Shoot the Freak, waar je met verfballetjes op een rusteloos heen en weer springende, geharnaste clown kunt schieten.

Vandalisme, schietzucht en meplust worden nu virtueel gereguleerd, met behulp van de games. Hele steden kun je verwoesten, cohorten aliens massacreren, op aarde of in de ruimte, en daarvoor hoef je niets anders te doen dan op een paar knoppen te drukken, trekkers over te halen, in handvaten te knijpen. Kom je dan verkwikt, met een bedaarde geest uit zo’n amusementshal tevoorschijn? Ik vraag het me af. Er is een school die beweert dat er absoluut, helemaal geen enkel verband is tussen wat je virtueel hebt aangericht en wat je daarna op straat praktisch gaat doen. Als dat waar zou zijn, moesten we ons hele stelsel van opvoeding herzien. Want opvoeding bestaat voor het grootste deel uit voordoen, het goede dan, in de hoop dat de kinderen het zullen nadoen. Virtueel verwoesten kost niet veel lichamelijke energie. Je houdt voldoende over om je krachten eens op een object in de praktijk te proberen. Dat is mijn hypothese.

In verband met de snel naderende voetbalgebeurtenissen heb ik u vorige week de raad gegeven vast een EHBO-kistje klaar te zetten. Dat schreef ik op vrijdag, niet beseffend dat Ajax de dag daarop iets zou winnen waarin de fine fleur van de supporters een aanleiding zou zien om zoveel mogelijk op het Leidseplein kort en klein te slaan. Belangrijk modern voetbal gaat altijd met geweld gepaard. Dat reikt verder dan simpel vandalisme of een vechtpartij. Het is een onvermijdelijke, door de televisie systematisch aangekweekte collectieve razernij waarvoor na de uitbarsting altijd weer dezelfde verontschuldiging wordt gevonden. ‘De kleine minderheid van kwaadwilligen die de mooie sport voor de massa bederft.’

Langzamerhand geloof ik daar niets meer van. Grote wedstrijden die zonder incidenten verlopen, kunnen niet als grote wedstrijden worden beschouwd. Deze week werd bekend dat voor een recordbedrag, 130 miljoen euro, aan oranje spullen is verkocht. Het aftellen is begonnen, de trillingen van de aanstaande razernij zijn in de media voelbaar. Het voetbal zou zijn eigen schaal van Richter moeten hebben. Ga niet naar Berlijn. Daar wordt het levensgevaarlijk.