Verkeerde vrienden

Veel verspilde energie: dat zal het gevolg zijn van het op zeer jonge leeftijd ingrijpen bij asociale jongeren (`Verkeerde vrienden`, W&O 6 mei). Het stuk verwijst naar onderzoek dat laat zien dat jongens uit armere wijken op zesjarige leeftijd kenmerken vertonen die de kans sterk verhogen dat ze in de vroege adolescentie zullen deelnemen aan een afwijkende groepscultuur. Het betreft kinderen die door onderwijzers (en ouders) gezien worden als rusteloos, onbevreesd en weinig invoelend jegens andere kinderen. Het lijkt dan logisch om te pleiten voor een gerichte en vroegtijdige investering om deze kinderen op het rechte pad te houden. Toch is dit niet vanzelfsprekend. Uit het aangehaalde Canadese onderzoek blijkt dat maar liefst 70% van de risicokinderen naderhand niét in een afwijkende groepscultuur terecht kwam. En uit te rekenen valt dat van de kinderen die wel in de bedoelde cultuur bleken te zitten, de hélft niet als risicokleuter was aangewezen. Een forse vroege investering belooft dan weinig kosteneffectief te zijn. Niet onbelangrijk is dan nog de vraag of er wel veel kán worden bereikt met opvoedingsondersteuning - gaat het ten dele niet om kenmerken die veel jongens eigen zijn (impulsief, druk) maar die in de ogen van (vooral vrouwelijke?) leerkrachten als lastig worden ervaren? Opmerkelijk in dit verband is dat in de studie geen verband laat zien tussen vroeg aanwezige kenmerken en participatie in afwijkende groepscultuur in de late adolescentie.

In Nederland wordt momenteel op grond van studies die vergelijkbaar zijn met de Canadese gepleit voor een zwaar investeren in zeer vroege ondersteuning in de opvoeding. De neiging bestaat om een zekere verhoogde kans op problematisch gedrag te vertalen als een zekere voorbestemming. Daaraan toegeven leidt al snel tot weinig effectief beleid en dus tot teleurstelling: de voorspelbaarheid van hoe mensen zich ontwikkelen blijkt betrekkelijk gering. Gelukkig maar.