Schoolmanagers (2)

Onderwijsvernieuwingen werden tot het begin van deze eeuw ontwikkeld door het ministerie van Onderwijs. Het spanningsveld tussen de theorie van de beleidsmakers en de realiteit in de scholen heeft er vaak toe geleid dat Haagse onderwijsconcepten in de praktijk geen stand hielden en teruggedraaid werden. De ambtenaren op het ministerie mochten dan de haalbaarheid van hun plannen niet goed inschatten, het was hen echter wel te doen om goed onderwijs.

Tegenwoordig staan de beleidsontwikkelaars dichter bij de werkvloer, scholen kunnen zelf het voortouw nemen. Het spanningsveld tussen de idealen van de ontwikkelaar en de realiteit van de uitvoerder kan verdwijnen als de ontwikkelaars zelf krijt aan hun vingers hebben.

Naast de onderwijskundige missie hebben scholen ook een missie die te maken heeft met de belangen van het instituut en daar doet zich nu een nieuw spanningsveld voor. De belangen van het instituut zijn namelijk niet altijd hetzelfde als de belangen van goed onderwijs. Een voorbeeld van de strijdigheid van die belangen vormt het dossier van de onderwijsleertijd: Het is een publiek geheim dat scholen te weinig lestijd aanbieden. In plaats van dit probleem aan te pakken, kiezen scholen er voor de definitie van het begrip `lesuur` op te rekken. De manier waarop gelden voor het zogenaamde Leerweg Ondersteunende Onderwijs worden aangewend om de organisatie in het algemeen te versterken is een ander voorbeeld.

Als onderwijsvernieuwing op de scholen wordt ontwikkeld en de zeggenschap van scholen over vernieuwingen wordt vergroot, moeten er waarborgen zijn dat de belangen van leerlingen het hoogste goed zijn. De belangen van de school als instituut mogen nooit op de eerste plaats komen.

    • Pierre Diederen