Politiek moet Wellinks boodschap waarmaken

Centrale bankiers worden betaald om voorzichtig te zijn. Van oud-premier Lubbers stamt de uitspraak dat als in de herfst de blaadjes van de bomen vallen, president Duisenberg van De Nederlandsche Bank altijd weer met een oproep tot bezuinigen kwam. Maar had Duisenberg daarom ook ongelijk? Een herhaalde boodschap mag dan voor menig toehoorder zijn kracht verliezen, aan de inhoud hoeft dat niet te liggen.

Duisenbergs opvolger Wellink kwam eergisteren met een pleidooi voor meer stabiliteit in de Nederlandse economie. De conjunctuur in ons land is de afgelopen vijftien jaar heftig geweest. De jaren negentig mondden uit in een periode van enorme economische groei, een schrijnende krapte op de arbeidsmarkt en een flinke inflatie en loonontwikkeling. Op basis van oppervlakkige waarnemingen riep het buitenland het ‘poldermodel’ uit tot een succesvolle mal voor een sociaal rechtvaardige economische ontwikkeling. Nederland was niet te beroerd zich die kritiekloze bewondering te laten aanleunen.

De afgelopen vijf jaar laten een totaal ander beeld zien. De stagnatie heeft te lang geduurd en het verlies van economische groei ten opzichte van het potentieel was vergelijkbaar of misschien zelfs groter dan tijdens de zware recessie van begin jaren tachtig. Nederland deed het nu juist veel slechter dan de omringende landen en het polderen viel even snel uit de gratie als het op het schild geheven was.

Hoge pieken, diepe dalen, dus. Wellink wijst – naast de woningmarkt – twee hoofdoorzaken aan die ‘procyclisch’ hebben gewerkt en de conjunctuur eerst extra opjoegen en daarna juist dieper drukten. De eerste factor betreft de pensioenpremies. Toen de aandelenmarkten stegen en pensioenfondsen hun aandelenbeleggingen uitbreidden, konden veel werkgevers en werknemers rekenen op kortingen of zelfs vrijstellingen van hun pensioenafdracht, omdat het vermogen snel toenam. Maar toen de beurzen keerden en de rentes kelderden, moest de achterstand haastig worden ingehaald. Tweede factor zijn de overheidsfinanciën. Omdat het tijdens de goede jaren politiek onhaalbaar bleek een overschot te bereiken, en de uitgaven te ver stegen, moest later midden in de economische neergang extra worden bezuinigd.

De centrale bank heeft becijferd dat de haastige inhaalslag bij pensioenen en begroting de economische groei in de afgelopen jaren met driekwart procentpunt heeft gedrukt. Met andere woorden: als in de jaren van de bloei beter met de voorspoed was omgegaan, dan was de afgelopen periode minder pijnlijk geweest. Een rustiger conjunctuurverloop had bovendien de krapte op de arbeidsmarkt en de bijbehorende loongolf helpen voorkomen.

De oplossing lijkt simpel: een veel rustiger verloop van de pensioenpremies, waaraan de centrale bank als toezichthouder overigens ook zou kunnen bijdragen. En het met rust laten van de begroting. Die moet in jaren van voorspoed naar een flink overschot kunnen, om de klap in tegenspoed zonder extra bezuinigen te kunnen opvangen. Die aanbeveling is verstandig en valt toe te juichen. Bovendien is een structureel begrotingsoverschot van tegen de 2 procent nodig om de toekomstige vergrijzingskosten op te vangen. Maar is het politiek mogelijk? We zullen het weldra zien. De economische groei trekt flink aan en de overheidsinkomsten ontwikkelen zich boven verwachting. De vraag wordt of het kabinet zich zal weten in te houden, in de aanloop naar de presentatie van de ‘verkiezingsbegroting’ op de derde dinsdag van september. Dat is wel de maand waarin de eerste blaadjes van de bomen vallen.