Onvervulde orakelspreuk

Heroïsche stichtingsmythen blijken te mooi om waar te zijn. Spartaanse kolonisten in Zuid-Italië leefden lange tijd samen met de inheemse bevolking. Theo Toebosch

De Griekse kolonisatie in Zuid-Italië was niet, zoals de antieke bronnen melden, een kwestie van aankomen, de lokale inheemse bevolking onderwerpen en een stad stichten. Dat concluderen archeologen Jan Paul Crielaard en Gert Jan Burgers van de Vrije Universiteit in Amsterdam op grond van hun recente veldonderzoek bij L’Amastuola, ongeveer 15 kilometer ten noordwesten van Tarente.

“Klassiek archeologen hebben lang de geschreven bronnen letterlijk genomen en voor waar gehouden”, zegt Burgers. Met als gevolg een sterk hellenocentrisch beeld waar de inheemse bevolking eigenlijk alleen maar bestond om zich door de superieure Grieken te laten onderwerpen.

De geschiedenis van de stichting van Taras, nu Tarente, is een goed voorbeeld hiervan. Bij onder meer de Griekse historicus en geograaf Strabo (64 v Chr. - 24 na Chr.) is te lezen dat de Spartanen, die Taras volgens de overlevering in 706 v. Chr. gesticht hebben, van te voren eerst het orakel in Delfi hadden geraadpleegd. Daar hadden ze van de Pythia te horen gekregen dat ze in Taras zouden gaan wonen en dat ze voor de Iapygiërs, de inheemse bevolking, een plaag zouden zijn.

onderworpen

Crielaard: “Italiaanse archeologen die in de jaren negentig bij L’Amastuola hebben opgegraven, concludeerden dat de orakelspreuk vervuld was. Op grond van de vondsten stelden ze vast dat de Grieken na de stichting van Taras al snel het omliggende territorium en de inheemse bevolking hebben onderworpen. L’Amastuola was volgens hen na een korte periode van inheemse bewoning na 675 voor Christus Grieks geworden. Dat leidden ze af uit de vondst van een brandlaag. Verder ontdekten ze typisch Griekse rechthoekige huizen en een nabijgelegen necropool, begraafplaats, met zo’n duizend graven in Griekse stijl en gevuld met Grieks aardewerk.” De Italianen concludeerden dat de Spartaanse kolonisten het gebied rond Tarente op dezelfde manier als rond Sparta hadden ingericht: ‘kata komas’, met een aantal kleine gehuchten waar de lokale bevolking net als de heloten in Sparta in slavernij leefde.

De laatste jaren beginnen de klassiek archeologen hun theoretische achterstand op andere archeologische disciplines in te lopen. Ze nemen benaderingen uit andere wetenschappen over en kijken anders tegen lang vastgeroeste opvattingen aan. Onder invloed van de discoursanalyse uit de sociale wetenschappen is een aantal archeologen, onder wie Crielaards en Burgers’ collega Douwe Yntema, de stichtingsmythen kritischer en in een context gaan bekijken. Veel van die stichtingsverhalen bleken wel erg op elkaar te lijken. Allemaal schetsten ze een beeld van een heroïsche onderneming die maar op één ding kon uitdraaien: de onderwerping van de inheemse bevolking. De mythen, zo was de opkomende gedachten bij sommige archeologen, zouden het verloop van kolonisaties wel eens te mooi voorgesteld kunnen hebben.

Tegelijkertijd eisen de archeologen de laatste tijd een eigen plaats binnen de geschiedschrijving van de antieke wereld, omdat ze beseffen dat ze over bronnen beschikken die informatie verschaffen over onderwerpen waarover geschreven antieke bronnen tot nu toe een te gekleurd beeld hebben gegeven.

L’Amastuola, zeggen Crielaard en Burgers, is een sleutelvindplaats om te testen of de kolonisatie in Zuid-Italië wel of niet gepaard ging met een gemakkelijke onderwerping van de lokale bevolking. “De op een heuvel gelegen nederzetting is, anders dan Taras, nauwelijks door moderne bebouwing overdekt. Er staat alleen een verlaten herenboerderij op.” Het was geen belemmering dat Italiaanse archeologen eerder al een deel van de heuvel hadden opgegraven, want dat was maar klein.

Crielaard, specialist in Griekse kolonisatie, en Burgers, met veel ervaring in het onderzoek naar de inheemse bevolking in Zuid-Italië, hebben drie zomers lang met studenten opgegraven. Verder hebben ze door veldverkenningen de omgeving in kaart gebracht, om te onderzoeken of de omgeving van Tarente inderdaad al vroeg op zijn Spartaans ‘kata komas’ was ingericht.

Het tweetal komt tot andere conclusies dan hun Italiaanse collega’s. “Zij hebben inheemse resten onder het tapijt gemoffeld of in hun schema van gewelddadige onderwerping gestopt.” De brandsporen stammen volgens Crielaard en Burgers, op grond van datering van aardewerk, echter uit verschillende tijden en zijn dus niet aan één historische gebeurtenis te koppelen. Verder blijkt het matbeschilderde inheemse aardewerk tot in de vroege zesde eeuw in gebruik te zijn geweest. Ook is er volop aardewerk uit aangrenzende regio’s als die van Matera. Het aanwezige Griekse aardewerk is divers, afkomstig uit Korinthe, Oost-Griekenland en Attica. De bewoners van L’Amastuola blijken verder tot eind zevende eeuw hun hutachtige huizen gebouwd te hebben. Crielaard en Burgers legden ook delen van een verdedigingsmuur bloot. “Rond 670 voor Christus gebouwd, dus rond de tijd dat de nederzetting door Taras onderworpen zou zijn.”

De spectaculairste vondst deden ze vorige zomer, toen ze in de necropool een 1,79 meter grote stele, grafzerk, vonden. Crielaard: “Hij is antropomorf, want je ziet de sporen van armen. De vondst sloeg bij de Italiaanse archeologen in als een bom. Ze zien ons als revisionisten, maar om deze vondst kunnen ze niet heen. De stele is duidelijk inheems en zo groot dat hij moeilijk in verband te brengen is met een serviele status van de inheemse bevolking.”

Burgers en Crielaard zien het zo voor zich: L’Amastuola bestond eind achtste, begin zevende eeuw uit een nederzetting van niet meer dan tweehonderd bewoners. Zij woonden binnen een stelsel van verdedigingsmuren en deden in de directe omgeving aan landbouw en veeteelt. Vanaf hun heuvel konden ze Taras zien liggen, maar er was zeker geen sprake van een gewelddadige overheersing door de Grieken kort na de stichting van de nieuwe kolonie. In de loop van de zevende en zesde eeuw neemt de Griekse invloed toe, getuige het Griekse aardewerk, de graven in de necropool en de rechthoekige huizen. De invloed is te groot om te zeggen dat de Grieken slechts in de marge door de inheemse bevolking werden toegelaten. Mogelijk is er sprake geweest van een soort coëxistentie.

bloeiperiode

Pas rond het midden van de vijfde eeuw voor Christus is er sprake van een duidelijke breuk met het inheemse verleden. Uit de veldverkenningen is gebleken dat dan ook het omliggende land wordt bewoond en geëxploiteerd. Die verandering valt samen met de bloeiperiode van Taras. Waarschijnlijk is L’Amastuola toen pas tot het grondgebied en de invloedssfeer van Taras gaan behoren.

Om hun conclusies te toetsen, hebben Burgers en Crielaard nog eens kritisch de verslagen van andere opgravingen in het zuiden van Italië bekeken. Ook hier vonden ze genoeg aanwijzingen voor vermenging tussen de inheemse bevolking en de Griekse kolonisten. Maar ook pogingen van opgravers om de geschiedenis aan de historische bronnen aan te passen. “Bij de opgraving van Ortygia, de oude stad van Syracuse, waar de Korinthische kolonie op Sicilië is begonnen, hebben de opgravers bijvoorbeeld de resten van een inheemse hut onder het tapijt geschoven.”

Emanuele Greco, directeur van het Italiaans Instituut in Athene en expert op het gebied van de Griekse kolonisatie, reageert afwijzend op de conclusies van Crielaard en Burgers. “Ze gaan ruw om met de literaire bronnen. Archeologen uit Noord-Europa, die door gebrek aan schriftelijke bronnen voor hun geschiedschrijving abstracte modellen moeten maken, doen dat vaak. Voor mij telt dat de Italiaanse archeologe indertijd een Grieks woongebouw boven inheemse lagen heeft gevonden. L’Amastuola is vooral interessant om te kijken hoe Grieken en inheemsen in een grensgebied met elkaar geleefd hebben.”

    • Theo Toebosch