Nooit meer biljarten

Een studente geneeskunde doet onder pseudoniem verslag van haar stage. Met meneer Van Putten gaat het niet goed.

„Installeer je maar in Carlijns kamer” , zegt Jacco. „Zij slaapt vannacht bij haar zus. Welterusten.” Voorzichtig plant ik mijn toilettas op het randje van de wastafel en kijk de badkamer rond. Het kikker-douchegordijn is wit uitgeslagen. Voor het raam hangt een vuilniszak met punaises. De wastafel zit vol klodders uitgespuugde tandpasta.

Ik wurm mezelf in Carlijns bedje, probeer tevergeefs mijn voeten te bedekken met het Snoopy-dekbed, Dit weekend doe ik 24-uurs dienst met Jacco Peters, ex-tropenarts en huisarts in dit dorpje in de kop van Noord-Holland. We zijn de hele dag op pad geweest, van blindedarm tot hartaanval, van steenpuist tot hechtwond.

Tevreden werp ik een laatste blik op de neonsterretjes aan het plafond. Een vuilnisbelt-huis en mijn eigen huisartspraktijkje op het platteland: waarom niet over een jaar of...

„Anne!” Ik kreun, draai me om, val uit het Snoopy-bed. „Anne, opstaan. We moeten op pad.” Met moeite vind ik het K3-lampje. Half één.

„Van Putten”, zegt Jacco, als we tien minuten later samen in zijn grijze bestelbusje zitten. „Die man met die uitgezaaide longkanker, waar we vorige week op bezoek waren. Hij zakte in elkaar in het dorpscafé. Iedereen in rep en roer natuurlijk. Inmiddels gaat het wel weer, volgens mij.”

Binnen ligt meneer Van Putten in bed. Over het randje van het dekbed grijnst hij naar ons, terwijl zijn vrouw nerveus door de slaapkamer ijsbeert. „Ik was aan het winnen...” begint hij, en hapt naar adem.

„Doe maar niet zo stoer”, valt zijn vrouw hem in de rede. Geërgerd draait ze zich naar ons om. „Hij denkt af en toe dat hij nog álles kan. Een kwartiertje biljarten, oké. Maar hij zat daar urenlang te...” Meneer Van Putten wil protesteren, maar zijn vrouw legt vermanend haar hand op zijn arm. „Ontken het maar niet. Al heb je je rolstoel mee: het wás te lang. En die jongens daar...”, ze slaat een denkbeeldig biertje achterover, „letten natuurlijk al helemáál niet op. Die laten hem rustig een uur rond die tafel staan. Afijn”. Ze zucht. „Op een gegeven moment zakt hij in elkaar, dus iedereen in paniek. Met vier man hebben ze hem weer in die rolstoel gehesen en thuis gebracht.”

Terwijl ik meneer Van Putten onderzoek, lopen Jacco en mevrouw even de kamer uit. „Ik heb...” fluistert Van Putten me toe, „ze wel laten schrikken.” Hij schiet in de lach, een angstaanjagend piepend lachje. „Maar ik ga nog láng niet dood, hoor.”

Even later zitten we met zijn vieren op het bed. Ik leg uit dat er geen reden voor ongerustheid is, nu. Alles wijst erop dat meneer uit pure vermoeidheid door zijn benen zakte. „Maar zie dit wel als een teken van uw lichaam”, besluit ik.

Terug in de auto is Jacco opvallend stil. „Wat besprak je nou met zijn vrouw?” vraag ik. „De kroegbazin heeft tegen haar gezegd dat ze hem daar liever niet meer zien”, klinkt het zachtjes. „Wat?”

„Ze zijn bang dat het nog eens gebeurt, of dat hij echt doodgaat: Dat jaagt klanten weg.” „Misschien moeten ze een bordje plaatsen”, roep ik verontwaardigd. „Een soort Tweede Wereldoorlog-idee: verboden voor terminale patiënten!”

Jacco glimlacht. „Verboden te sterven, wegens verstoring van de openbare orde.”

    • Anne Hermans