Nog grote hiaten in wet op inburgering

Minister Verdonk (Integratie, VVD) moet op korte termijn duidelijkheid verschaffen over onderdelen van de nieuwe inburgeringswet, om te voorkomen dat die uitloopt op een mislukking.

Dat blijkt uit een nog vertrouwelijke analyse van de uitvoeringsrisico’s van de wet, die het adviesbureau BMC in samenwerking met de Rijksuniversiteit Groningen heeft gemaakt in opdracht van de Tweede Kamer. De Kamer bespreekt het rapport dinsdag.

De nieuwe wet, die volgend jaar moet ingaan, verplicht migranten een burgerschapstoets af te leggen. De onderzoekers kritiseren onder meer het feit dat migranten niet in verweer kunnen gaan tegen de uitslag van hun toets. Dat is een principiële kwestie die „ten onrechte op technische wijze wordt afgedaan”. Ook is nog onduidelijk wat precies de eisen zijn voor het afleggen van de toets aan het einde van het inburgeringstraject. „Een zorgvuldige invoering van de wet heeft daar onder te lijden”, aldus de onderzoekers.

Ook is onduidelijk wat de uitvoering van de wet precies kost. Daardoor is niet bekend of er voldoende dekking is voor de wet (240 miljoen euro in 2006 en 255 miljoen in 2007). De onderzoekers betwijfelen bovendien of de gemeenten, die al worden geconfronteerd met een „opeenstapeling van invoeringstrajecten van nieuw rijksbeleid” de nieuwe wet erbij kunnen hebben.

Een ander punt van zorg is dat de uitvoerbaarheid van de wet „voor een groot deel afhankelijk is” van een nog te bouwen ICT-systeem dat bestanden van potentiële inburgeraars moet ontsluiten en met elkaar moet verbinden.

De opstellers van de risicoanalyse voorzien „majeure uitvoeringsrisico’s” als op de datum dat de wet zal worden ingevoerd die gegevensuitwisseling niet operationeel is. De wet zal dan vooral een „symbolische werking” hebben omdat handhaving niet mogelijk is.

De onderzoekers menen dat een „indirecte maar ontoelaatbare” ongelijkheid optreedt tussen mannelijke en vrouwelijke migranten bij scheiding. Door de wet is ook sprake van ongelijke behandeling tussen vreemdelingen en Nederlanders, wat mogelijk in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.