Nederland loopt ver achter met biobrandstoffen

Door de hoge benzineprijzen zijn biobrandstoffen weer volop in beeld. Maar kunnen ze de concurrentie met olie aan? Brazilië en Zweden bewijzen dat het kan. Nederland blijft achter. „Het kabinet en de olieconcerns hebben zo hun belangen.”

Het tankstation oogt als elk ander. Maar niet lang meer. Vlakbij het Rotterdamse voetbalstadion de Kuip, aan de Colosseumweg, begint olieconcern Argos Oil binnenkort met de verkoop van een nieuwe brandstof: E85. Een milieuvriendelijk mengsel van 85 procent bio-ethanol en 15 procent benzine. Het is de primeur voor Nederland. Nu pas.

EU-lidstaten als Zweden, Duitsland, Frankrijk en Spanje stimuleren biobrandstoffen al jaren. Nederland wilde er tot voor kort niet aan, zegt directeur Peter Goedvolk van Argos Oil. „De overheid en de gevestigde olieconcerns hebben te grote belangen in de verkoop van fossiele brandstoffen.” Zo int de staat jaarlijks 9 miljard euro aan brandstofaccijnzen. Volgens Goedvolk wil het kabinet dat graag zo houden. Toch begint zijn bedrijf met E85. De tijd is er rijp voor.

Benzineprijzen zijn hoger als nooit te voren. De alsmaar toenemende uitstoot van het broeikasgas CO2, waarvoor fossiele brandstoffen mede verantwoordelijk zijn, moet teruggedrongen. En landen beseffen dat ze voor hun olie afhankelijker worden van landen als Irak, Iran, Saoedi-Arabië en Venezuela.

In Nederland riep begin deze week een grote werkgroep met mensen uit de wetenschap, het bedrijfsleven en de milieubeweging nog op tot een nieuw, lange-termijn energiebeleid met veel ruimte voor alternatieven. Biobrandstoffen werden als goede optie genoemd voor de transportsector.

Nederland móest ook wel wat doen. Regels uit Brussel schrijven voor dat benzine en diesel al in 2005 voor 2 procent uit biobrandstoffen hadden moeten bestaan. In 2010 moet dat percentage op 5,75 procent liggen. Nederland heeft de eerste deadline niet gehaald, en dreigde daarvoor voor het Europese Hof te worden gedaagd. Een half jaar geleden heeft het kabinet daarom een besluit genomen: oliemaatschappijen zijn vanaf volgend jaar verplicht om biobrandstoffen te verkopen, tot 2 procent van hun totale volume. De accijnsregeling voor bio-ethanol is daarvoor, enkele weken geleden, gunstiger gemaakt – het product viel onder de Warenwet, en was zo zwaar belast dat het 15 euro per liter kostte. Ongewijzigd zou daardoor de benzineprijs volgend jaar met 30 cent per liter stijgen.

Ton Vermie van de gemeente Rotterdam zou graag zien dat het kabinet nóg meer deed. „In Zweden is bio-ethanol een groot succes dank zij allerlei steunmaatregelen van de overheid”, zegt Vermie, die voor zijn gemeente sinds begin dit jaar deelneemt aan een Europees project dat het gebruik van deze brandstof wil stimuleren. In Zweden mogen bio-ethanol-rijders in de grote steden gratis parkeren, weet hij. Ze hoeven ook geen tolheffing te betalen. Bio-ethanol is aan de pomp maar liefst 40 eurocent goedkoper dan gewone benzine, door een forse accijnsmaatregel. En de aanschaf van zogenaamde flexi-fuel auto’s wordt gesubsidieerd. Deze auto’s kunnen op allerlei mengsels van bio-ethanol en benzine rijden, tot een maximum van 85 procent bio-ethanol. De flexi-fuel technologie vraagt wat aanpassingen aan de auto, die tussen de 600 en 1.000 euro kosten. „In Zweden wordt dat bedrag gesubsidieerd, zoals dat in Nederland nu gebeurt met de roetfilter”, zegt Vermie.

Het is niet dat het kabinet biobrandstoffen niet wíl stimuleren, zegt Remco Hoogma van het overheidsagentschap Senternovem. „Het was eerder de vraag wanneer Nederland ermee zou beginnen”, zegt hij. Bio-ethanol wordt nu nog gemaakt op basis van de suikers uit de tarwekorrel, de suikerbiet of de maïskolf. Biodiesel komt veelal uit koolzaad, zonnebloem of oliepalm. Bij de teelt van die gewassen worden kunstmest en bestrijdingsmiddelen gebruikt, en bij de productie daarvan komt CO2 vrij. Ook de tractoren die het land bewerken stoten het broeikasgas uit. En de laatste stap in de ethanol-productie, het drogen, kost ook veel energie. Daardoor is het vermeende milieuvoordeel van biobrandstoffen een stuk kleiner dan menigeen denkt. Ten opzichte van fossiele brandstoffen vermindert de CO2-uitstoot niet met 100 procent, zoals vaak wordt beweerd, maar met zo’n 30 tot 60 procent. Het precieze percentage is afhankelijk van onder meer het gewas, de teeltmethode en de weersomstandigheden. Die percentages gelden overigens voor de pure vorm van de biobrandstof. Als het slechts 2 procent van het brandstofmengsel uitmaakt, komt het CO2-voordeel omgerekend uit op slechts een of enkele procenten. „Het kabinet, de olieconcerns en ook milieuorganisaties wachtten liever op technologische verbeteringen”, zegt Hoogma.

Dat Frankrijk en Duitsland deze generatie biobrandstoffen toch zo zwaar subsidiëren, is volgens Hoogma te wijten aan de sterke landbouwlobby in die landen. „Het biedt boeren een alternatieve inkomstenbron”, zegt Hoogma. Volgens hem is de landbouw in Nederland minder invloedrijk. De discussie heeft zich geconcentreerd op het CO2-voordeel van biobrandstoffen. „Daarom heeft deze generatie het moeilijk hier”, zegt hij.

Waar het kabinet en de olieconcerns liever op wachtten is de tweede generatie biobrandstoffen. Daarbij worden gras, stro en de stengels van maïs of tarwe – nu nog gezien als afval – als grondstof gebruikt. In de fabriek wordt dat materiaal eerst afgebroken tot suikers en vervolgens omgezet tot ethanol. Bij deze biobrandstoffen verlaagt de CO2-uitstoot met circa 70 tot 80 procent. „Omdat je het gewas veel efficiënter gebruikt”, zegt Hoogma. Bedrijven als Shell en alcoholproducent Nedalco werken aan die technologie. Maar ze is naar verwachting pas tegen 2010 marktrijp. Te ver weg voor Nederland, gezien de Brusselse regels. Goedvolk van Argos Oil wil zo lang ook niet wachten. De CO2-reductie van E85 is ook met de eerste generatie biobrandstoffen aanzienlijk. „Bovendien, als je als eerste bent in een nieuw veld kun je makkelijker een positie veroveren”, zegt hij. Voor zijn bedrijf, dat een relatief kleine speler is, kan dat een voordeel bieden.

De verplichte bijmenging van 2 procent biobrandstoffen zal voor gewone auto’s weinig gevolgen hebben. De benzinemotor kan tot 10 procent bio-ethanol aan, zonder dat hij hoeft worden aangepast. Wel is de energie-inhoud van ethanol wat lager dan van benzine. Eén liter brengt de automobilist 25 procent minder ver. Vanaf volgend jaar zal de consument dus iets vaker moeten tanken. Terwijl de prijs aan de pomp naar schatting 2 cent per liter zal stijgen. Biobrandstoffen zijn nu namelijk nog wat duurder in hun productie dan fossiele brandstoffen. Voor bio-ethanol speelt ook mee dat het voornamelijk uit Brazilië komt en er een importheffing op rust. Maar in Nederland begint de eigen productie op gang te komen, zodat de prijs in de toekomst wellicht omlaag kan.

Zo heeft Nedalco twee maanden geleden aangekondigd een fabriek te gaan bouwen in Sas van Gent, die jaarlijks 200 miljoen liter bio-ethanol gaat produceren. Het Rotterdamse bedrijf BER heeft plannen voor een soortgelijke fabriek in het havengebied. Het werkt daarin samen met zijn gemeente, die probeert meer flexi-fuel auto’s op straat te krijgen. „Er zijn er inmiddels achttien besteld bij Ford”, zegt gemeentemedewerker Vermie. „Over vier jaar hopen we er enkele honderden in de regio te hebben.” Naast Ford importeren ook Saab en Volvo sinds kort flexi-fuel auto’s in Nederland. Volgens een woordvoerster van Saab is in Brazilië al 70 procent van de nieuwe auto’s van dit type. Het land is de grootste bio-ethanolproducent ter wereld. De prijs van de brandstof concurreert, na 30 jaar ervaring, nu met die van benzine.

Goedvolk van Argos Oil hoopt dat grote bedrijven zijn initiatief om E85 te gaan verkopen volgen. Argos heeft door het hele land maar 75 pompen, en start de verkoop van E85 bij één tankstation. Hoogst waarschijnlijk die aan de Rotterdamse Colosseumweg. „Als iemand in Groningen een flexi-fuel auto koopt en helemaal naar Rotterdam moet om te tanken, dan sterft E85 een snelle dood.” Daarom is hij blij met de plannen van de gemeente Rotterdam om flexi-fuel auto’s in te kopen. Vermie zegt dat hij hiervoor ook omliggende gemeentes probeert warm te krijgen. „Het zou mooi zijn als het zich van hieruit over de rest van het land gaat verspreiden.”

    • Marcel aan de Brugh